Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Witborstnigrita

Witborstnigrita | Nigrita fusconotus

White-Breasted Nigrita | Negrita Pechiblanca

De witborstnigrita is de kleinste nigrita: een slanke, zwart-bruin-witte astrild van de boomkronen van laaglandbos. Nigrita's eten minder zaden dan andere astrilden en leven vooral van insecten, vruchten en het vruchtvlees van oliepalmen.

Witborstnigrita (Nigrita fusconotus)
Foto: Tommy Andriollo — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een dun, hoog tsie-tsie als contactroep. De zang is een reeks hoge, zuivere fluittonen die in toonhoogte op en neer gaan, tsie-tsu-tsie-tsuu.

Luister: ZangXC1103192

Opname: Jaap van der Waarde — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

10 tot 11 cm, slank en lang gestaart voor een astrild, met een vrij spitse zwarte snavel. Kruin, nek en teugel zijn glanzend blauwzwart, de mantel en rug zijn warm donkerbruin, de stuit en staart zwart. Keel, borst en buik zijn zuiver wit, de flanken licht grijs. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn doffer, met een bruinzwarte kap en een grijzig witte onderzijde.

Verwarrings­soorten

De bruinborstnigrita (Nigrita bicolor) heeft dezelfde bouw, maar een leigrijze rug en een diep kastanjebruine onderzijde. Het glansekstertje (Spermestes bicolor) heeft ook een zwarte kop en witte buik, maar een zwarte keel en borst, een dikke blauwgrijze snavel en leeft in groepen in open ruigte en tuinen, niet in de kronen. De combinatie van zwarte kap, bruine rug en witte onderzijde is binnen het gebied uniek.

Leefgebied

Boomkronen en randen van groenblijvend laaglandbos, galerijbos, oudere secundaire bossen en plantages met oliepalmen. Foerageert in paren of kleine groepjes, vaak met andere soorten, hoog in de bladeren en in bloeiende en vruchtdragende bomen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen in Noord-Angola: Cabinda en de bosgebieden van Uíge, Cuanza Norte en Bengo, zuidwaarts tot de escarpementbossen van Cuanza Sul. Daarbuiten van Guinee en Sierra Leone door West- en Centraal-Afrika tot Oeganda en het westen van Kenia.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Kijk bij bosranden in Uíge en Cuanza Norte in bloeiende en vruchtdragende bomen en oliepalmen; de witte onderzijde valt tegen het donkere loof goed op. Door zijn gedrag hoog in de kroon wordt hij vaak eerst voor een mees of zanger aangezien.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Vrij algemeen in het grote West- en Centraal-Afrikaanse areaal; in Angola beperkt tot het noordelijke bosgebied, waar bosverlies de voornaamste bedreiging is.

Wetenschappelijke naam

Nigrita fusconotus | Fraser, 1843

Fraser beschreef de soort in 1843 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Nigrita werd in 1843 ingevoerd door Strickland. Nigrita komt van het Nieuwlatijnse nigritus, 'zwart' (verwant aan niger) — naar het grotendeels donkere verenkleed van deze nigrita's. fusconotus komt van het Latijnse fuscus, 'donkerbruin', en het Griekse nōtos, 'rug' — naar de bruine rug. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Malabo (voorheen Clarence), Bioko, Equatoriaal-Guinea.