Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Witgat
Witgat | Tringa ochropus
Green Sandpiper | Andarríos Grande
Het witgat is een donkere, solitaire ruiter die opvliegt met een helder alarmgeroep en een verblindend witte stuit. Hij overwintert vooral in Afrika ten noorden van het gebied; in zuidelijk Afrika is hij een schaarse gast van kleine, beschutte wateren, het meest in Zambia, Malawi en Zimbabwe.
Geluid
Bij het opvliegen een helder, jubelend tluu-iet-wiet-wiet, drielettergrepig en stijgend, vaak herhaald; een van de beste kenmerken. Bij onrust ook een scherp twit-twit.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
21–24 cm. Van boven zeer donker olijfbruin met fijne, vage lichte stippels, van onderen wit met een donkere, gestreepte borst die scherp tegen de witte buik afsteekt. Een korte witte wenkbrauwstreep voor het oog en een witte oogring. De snavel is recht, donker en middellang, de poten groenachtig grijs. In de vlucht lijkt de vogel zwart-wit: donkere boven- en ondervleugel, een helderwitte stuit en een witte staart met enkele brede zwarte banden. Wipt met het achterlijf, minder uitgesproken dan de oeverloper.
Verwarringssoorten
De bosruiter Tringa glareola is slanker en lichter bruin met duidelijke witte stippels, een lange witte wenkbrauwstreep tot achter het oog, geelgroene poten en een lichte ondervleugel. De oeverloper Actitis hypoleucos is bruiner, heeft een witte hoek voor de vleugel, een witte vleugelstreep en een donkere stuit, en vliegt met trillende vleugelslagen laag over het water.
Leefgebied
Kleine, beschutte zoetwateren met modderige randen: beekjes, drinkpoelen, sloten, overstroomde greppels, bosvijvers en rioolvijvers, vaak tussen bomen of struiken. Mijdt open, grote plassen en de kust. Foerageert alleen of in paren langs de waterkant.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Schaars maar geregeld in Zambia, Malawi, het noorden van Mozambique, Zimbabwe, het noorden van Botswana en Angola; zeldzaam verder zuidwaarts in Limpopo, Mpumalanga en KwaZulu-Natal, en een dwaalgast in Namibië en de Kaap. Buiten het gebied broedt de soort in de boreale bossen van Scandinavië tot Siberië en overwintert ze van Europa en Zuid-Azië tot Afrika ten zuiden van de Sahara, vooral in Oost- en West-Afrika.
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Loop langzaam langs beschutte poelen en beekjes in het noorden van het gebied; de vogel vliegt meestal onverwacht dichtbij op, roepend en met een witte flits van de stuit, en zigzagt dan hoog weg. Kijk bij een donkere ruiter altijd naar de ondervleugel: vrijwel zwart bij het witgat, licht bij de bosruiter.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; de wereldpopulatie is groot en stabiel. In het gebied is de soort van nature schaars, zodat veranderingen moeilijk te volgen zijn.
Wetenschappelijke naam
Tringa ochropus | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Tringa voerde hij in datzelfde werk in. Tringa is de neolatijnse naam die Aldrovandi aan het witgatje gaf, naar het Griekse trungas, bij Aristoteles een waadvogel zo groot als een lijster, met witte stuit en wippende staart. ochropus is Grieks, van ōkhros 'oker' en pous 'voet', dus 'okerpoot'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.
