Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Witkeelkanarie

Witkeelkanarie | Crithagra albogularis

White-Throated Canary | Serín Gorjiblanco

De witkeelkanarie is een grote, grijsbruine kanarie van het droge westen met een zeer zware snavel, een witte keel en een geelgroene stuit. Hij is onopvallend van kleur, met een rijke, afwisselende zang vol imitaties.

Witkeelkanarie (Crithagra albogularis)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een lange, rijke en zeer gevarieerde zang van heldere fluittonen, trillers en nagebootste roepen van andere vogels, van een struiktop of rots. De roep is een oplopend sweeh of een tweetonig tsjerrie-wie.

Luister: ZangXC1175721

Opname: Campbell Fleming — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

15–16 cm. Grijsbruin van boven met vage streping, zonder duidelijke vleugelstrepen; de stuit is geelgroen en valt vooral in vlucht op. Een smalle witte wenkbrauw, een witte keel die scherp afsteekt tegen de grijsbruine borst, en een witachtige buik. De snavel is opvallend groot, hoog en bleek hoornkleurig. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn fijn gestreept op de borst. Vogels in Namibië zijn bleker en zandkleuriger dan die van de Kaap.

Verwarrings­soorten

De streepkopkanarie (Crithagra gularis) heeft een veel bredere, helderwitte wenkbrauwstreep, een fijn gestreepte kruin, een kleinere snavel en geen gele stuit. Het vrouwtje van de geelbuikkanarie (Crithagra flaviventris) heeft een kleinere snavel en is duidelijk gestreept op borst en flanken. De witbandkanarie (Crithagra leucoptera) van het bergfynbos van de West-Kaap heeft een zwarte kin, twee witte vleugelstreepjes en geen gele stuit. De zwartkeelkanarie (Crithagra atrogularis) is klein, met een zwart gespikkelde keel. De zware snavel met de witte keel is steeds beslissend.

Leefgebied

Karooveld, droge struiksteppe op rotsachtige hellingen, droge rivierlopen met struiken, de randen van de Namib en het droge fynbos en renosterveld van het westen, ook bij boerderijen en in tuinen in droge dorpen. Eet zaden, knoppen, bloemen en vruchten; kraakt met de zware snavel harde zaden. Drinkt dagelijks.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied in het westen van Zuid-Afrika (Noord-Kaap, het binnenland van de West-Kaap, het westen van de Oost-Kaap en het zuidwesten van de Vrijstaat), in het westen van Lesotho, in vrijwel heel Namibië behalve het noordoosten, in het uiterste zuidwesten van Botswana en in het zuidwesten van Angola. Daarbuiten niet: een endemische soort van het zuidwesten van Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek op rotsige hellingen met struiken in de Karoo en in Namibië, het best bij drinkplaatsen in de ochtend. Wie de vogel eenmaal kent, herkent hem aan de verhoudingen: een kanarie met een snavel als een kleine kernbijter. Van dichtbij is de witte keel het beste kenmerk, in vlucht de geelgroene stuit.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Algemeen binnen het verspreidingsgebied en plaatselijk toegenomen rond boerderijen en in dorpstuinen.

Wetenschappelijke naam

Crithagra albogularis | Smith, 1833

Smith beschreef de soort in 1833 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Crithagra werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Crithagra komt van het Griekse krithē, 'gerst', en agra, 'jacht' — een 'gerstjager', naar het zaadetende dieet van deze kanaries en zaadeters. albogularis komt van het Latijnse albus, 'wit', en gula, 'keel' — naar de witte keel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit bij Piketberg, West-Kaap, Zuid-Afrika.