Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Witruggier

Witruggier | Gyps africanus

White-Backed Vulture | Buitre Dorsiblanco Africano

De witruggier is de talrijkste en meest verspreide gier van de savanne van zuidelijk Afrika en meestal de soort die bij een kadaver in groten getale neerstrijkt. Het is een typische vale gier met een lange, kale nek, die in grote groepen hoog boven het bosveld cirkelt en elkaar in het oog houdt.

Witruggier (Gyps africanus)
Foto: Yathin sk — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Rond kadavers een luidruchtig gesis, gekrijs, gekakel en gegrom waarmee de vogels elkaar verdringen. Bij het nest zacht gekwetter en gepiep.

Luister: RoepXC978231

Opname: Ehren Eksteen — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 90 cm, spanwijdte ruim twee meter. De volwassen vogel is bleek bruinachtig tot crèmekleurig, met donkere slagpennen en staart. De onderrug is wit, alleen zichtbaar als de vleugels gespreid zijn. De kop en de lange nek zijn bedekt met grijs dons, met een witte donzen kraag aan de basis van de nek. De snavel is zwaar en zwart, het oog donker. Jonge vogels zijn donkerder bruin met lichte strepen op borst en vleugeldekveren, missen de witte rug en worden in vijf tot zeven jaar geleidelijk bleker. In de vlucht contrasteren de witte ondervleugeldekveren van volwassen vogels sterk met de zwarte slagpennen; bij jonge vogels is de ondervleugel donkerder met een smalle lichte band.

Verwarrings­soorten

De Kaapse gier (Gyps coprotheres) is duidelijk groter en bleker, met een lichtgeel oog, blauwe keelvlekken en een ondervleugel waarvan de slagpennen minder scherp afsteken; jonge vogels van beide soorten lijken sterk op elkaar. Rüppells gier (Gyps rueppelli) heeft een geschubd verenkleed door lichte veerzomen en een geelachtige snavel. De oorgier (Torgos tracheliotos) en de witkopgier (Trigonoceps occipitalis) hebben een kortere nek en een opvallend gekleurde kop en snavel.

Leefgebied

Open en halfopen savanne en bosveld met hoge bomen, van droog doornveld en Kalahari tot mopaneveld en miombo; mijdt woestijn, hooggebergte en dicht bos. Leeft van aas van grote zoogdieren en is afhankelijk van een goede wildstand of van vee. Broedt in losse kolonies van enkele tot tientallen paren, met takkennesten in de kronen van hoge acacia's en andere bomen, vaak langs rivieren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Wijdverspreid door de savanne van het hele gebied: Angola, Zambia, Malawi, Mozambique, Zimbabwe, Botswana, het noorden en midden van Namibië, en in Zuid-Afrika het noorden en oosten (Limpopo, Mpumalanga, Noordwest, de noordelijke Kaap, noordelijk KwaZulu-Natal) en Eswatini. Ontbreekt in de West-Kaap, de Karoo, het hooggebergte van Lesotho en de Namib. Buiten het gebied door de savannegordel van Afrika ten zuiden van de Sahara, van Senegal tot Soedan, Ethiopië en Tanzania.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In elk groot wildpark zoals Kruger, Hwange, Chobe of Etosha; houd vroeg in de ochtend boomtoppen in het oog waar gieren overnachten, en volg later op de dag de kolkende groepen boven een kadaver. Om te onderscheiden van de Kaapse gier: let op het donkere oog, de grotere hoeveelheid contrast in de ondervleugel en het formaat als beide naast elkaar staan.

Staat van instandhouding

Ernstig bedreigd op de Rode Lijst. De soort is over het hele areaal met meer dan negentig procent afgenomen in drie generaties. Massale vergiftiging, waarbij bij één kadaver honderden gieren kunnen sterven, is de belangrijkste oorzaak, gevolgd door handel in gierendelen voor traditioneel gebruik, aanvaringen met hoogspanningslijnen, verlies van nestbomen en afname van wild. Zuidelijk Afrika herbergt nog een belangrijk deel van de wereldpopulatie, vooral in grote parken.

Wetenschappelijke naam

Gyps africanus | Salvadori, 1865

Salvadori beschreef de soort in 1865 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Gyps werd in 1809 ingevoerd door De Savigny. Gyps is het Griekse gups 'gier'. africanus is Latijn voor 'Afrikaans'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Sennar, Soedan.