Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Zanghavik

Zanghavik | Melierax canorus

Pale Chanting Goshawk | Azor Lagartijero Claro

De zanghavik is de karakteristieke roofvogel van de Karoo en de Kalahari: een grote, lichtgrijze havik met lange rode poten die rechtop op een telefoonpaal of boomtop langs de weg zit. Hij jaagt vanaf die zitplaats op hagedissen, knaagdieren, grondeekhoorns en vogels, en loopt ook met lange passen over de grond achter prooi aan.

Zanghavik (Melierax canorus)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Vooral in het broedseizoen, bij dageraad vanaf een boomtop: een melodieus, fluitend kliu-kliu-kliu-klu-klu-klu, lang herhaald, en een dalend piee-pu-pu-pu. Verder een schril alarm.

Luister: VluchtroepXC459455

Opname: Raphaël Nussbaumer — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

54–63 cm, spanwijdte 95–115 cm. Volwassen vogels zijn lichtgrijs van boven, op kop en borst, met een fijn grijs-wit gebandeerde buik. De stuit is zuiver wit. De armpennen zijn wit tot zeer lichtgrijs en vormen in de vlucht een groot licht veld dat sterk contrasteert met de zwarte handpennen; van onderen lijkt de vleugel vrijwel wit met zwarte toppen. De lange staart heeft witte banden op de buitenste pennen. Washuid en lange poten zijn oranjerood, de ogen donker. Het vrouwtje is groter. Jonge vogels zijn bruin, met een gestreepte borst, een gebandeerde buik, een witte stuit met bruine bandering, lichtgele ogen en gele poten.

Verwarrings­soorten

De donkere zanghavik Melierax metabates is donkerder grijs, heeft een grijs gebandeerde stuit en grijze armpennen, en leeft in vochtiger bosveld verder naar het noorden en oosten; de soorten overlappen in het westen van Zimbabwe en het oosten van Botswana. De gabarhavik Micronisus gabar is veel kleiner. De grijze wouw Elanus caeruleus is kleiner, met zwarte schouders en korte gele poten. Jonge vogels kunnen lijken op een jonge Afrikaanse bruine kiekendief Circus ranivorus, die echter een ander vliegbeeld heeft en boven moeras jaagt.

Leefgebied

Droge, open landschappen: Kalahari-doornveld, Nama-Karoo, Sukkulente Karoo, half-woestijn en droge acaciasavanne, tot in de randen van de Namib. Heeft verspreide bomen, palen of struiken nodig als uitkijkpost. Het nest is een takkenhorst in een doornboom, vaak bekleed met mest, haar en vodden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Vrijwel endemisch voor zuidelijk Afrika. Algemeen in Namibië en Botswana, in het westen en binnenland van Zuid-Afrika (Noord-Kaap, West-Kaap binnenland, Oost-Kaapse Karoo, Vrijstaat, Noordwest en het westen van Limpopo) en in het zuidwesten van Zimbabwe; ook in het zuidwesten van Angola en marginaal in het westen van Lesotho. Ontbreekt in het vochtige oosten en noorden. Daarbuiten geen andere populaties; de verwante Oost-Afrikaanse vogels worden nu als aparte soort beschouwd.

  • Jaarrond
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Een van de makkelijkst te zien roofvogels in het gebied: rijd over de wegen van de Karoo, de Kalahari of Etosha en let op palen en boomtoppen. Vaak volgen ze honingdassen of jakhalzen om opgeschrikte prooi te pakken. Bij Kgalagadi en in Etosha komen ze tot op enkele meters van de auto.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; algemeen in het grootste deel van het areaal. Kan lokaal slachtoffer worden van vergiftigd aas dat voor jakhalzen wordt uitgelegd, van verkeer en van elektrocutie op palen, maar de populatie is stabiel en profiteert van de vele palen langs wegen en hekken als uitkijkpost.

Wetenschappelijke naam

Melierax canorus | (Thunberg, 1799)

Thunberg beschreef de soort in 1799 als Falco canorus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Melierax werd in 1840 ingevoerd door Gray. Melierax komt van het Griekse melos, 'lied', en hierax, 'havik' — naar de melodieuze, fluitende roep van de zanghaviken in de broedtijd. canorus is Latijn voor 'welluidend, zangerig' — naar de fluitende roepreeksen van de zanghavik. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zuid-Afrika.