Alle soorten › Hoppen en neushoornvogels › Neushoornvogels › Zilveroorneushoornvogel

Zilveroorneushoornvogel | Bycanistes brevis

Silvery-Cheeked Hornbill | Cálao Cariplateado

De zilveroorneushoornvogel is de grootste bosneushoornvogel van het gebied, zwart-wit met een enorme ivoorkleurige helm op de snavel van het mannetje. Paren en groepen vliegen met luid ruisende vleugelslagen hoog over het kronendak van de montane en kustwouden in het oosten.

Zilveroorneushoornvogel (Bycanistes brevis)
Hoofdfoto · Foto: John Mackenzie Burke — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Een luid, rauw en balkend kwaark-kwaark, vaak door meerdere vogels tegelijk, en een schor grommend grrak. De vleugelslag maakt een zwaar, ruisend geluid dat over grote afstand hoorbaar is en de vogels vaak eerder verraadt dan hun roep.

Luister: ZangXC844141

Opname: Valentijn Hermans — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 80 cm. Kop, hals, borst, vleugels en staart zijn zwart; onderrug, stuit, buik en onderstaartdekveren wit. De veren van wangen en oorstreek hebben zilvergrijze toppen, wat de kop een grijs waas geeft. Het mannetje heeft een zeer grote, hoge, crèmekleurige tot ivoorwitte helm die tot boven op de kop reikt; bij het vrouwtje is de helm veel kleiner en de snavel donkerder. De naakte huid rond het oog is blauwachtig. In vlucht zijn de vleugels geheel zwart, zonder witte achterrand, en valt het witte achterlijf op. Jonge vogels hebben een kleine snavel zonder helm.

Verwarrings­soorten

De trompetneushoornvogel (Bycanistes bucinator) is duidelijk kleiner, heeft een grijzere, lagere helm, roze huid rond het oog en in vlucht een brede witte achterrand aan de vleugel. De gekroonde tok (Lophoceros alboterminatus) is veel kleiner, bruinzwart met een rode snavel en vliegt met golvende vlucht. De zuidelijke hoornraaf (Bucorvus leadbeateri) is geheel zwart met rode keelhuid en leeft op de grond in open land.

Leefgebied

Groenblijvend montaan bos, laaglandbos en hoge rivierbegeleidende bossen, plaatselijk ook bosranden en plantages met vruchtbomen. Eet vooral vruchten, in het bijzonder vijgen, aangevuld met insecten, eieren en jonge vogels. Voor de broedtijd zijn grote bomen met ruime holten nodig; het vrouwtje metselt zich in met modder en uitwerpselen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied beperkt tot het oosten: het oosten van Zimbabwe (Chimanimani, Chirinda en het Haroni-Rusitu-gebied), het centrum van Mozambique (onder meer de Gorongosaberg en het binnenland van Manica en Sofala) en enkele bosgebieden in Malawi. Verder noordwaarts via Tanzania en Kenia tot in Ethiopië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het beste in de laaglandbossen van Haroni-Rusitu en in Chirinda in het oosten van Zimbabwe, of op de hellingen van de Gorongosaberg. Let in de vroege ochtend op het ruisen van vleugels en het balkende koor, en zoek vijgenbomen met rijpe vruchten, waar groepen zich kunnen verzamelen. De witte achterlijf en de volledig zwarte vleugels in vlucht bevestigen de soort.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, maar in het gebied afhankelijk van een klein aantal versnipperde bossen. Kap van laaglandbos voor landbouw en houtwinning bedreigt de lokale populaties in Zimbabwe en Mozambique, en de soort heeft grote oude bomen nodig voor het nestelen. Elders in Oost-Afrika plaatselijk nog algemeen.

Wetenschappelijke naam

Bycanistes brevis | Friedmann, 1929

Friedmann beschreef de soort in 1929 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Bycanistes werd in 1860 ingevoerd door Cabanis & Heine. Bycanistes komt van het Griekse bykanistēs, 'trompetter' — naar de luide, balkende en trompetterende roep van deze neushoornvogels. brevis is Latijn voor 'kort'; waarop de naam precies slaat is niet duidelijk overgeleverd. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Mount Lutindi, Usambaragebergte, Tanzania.