Alle soorten › Zangvogels › Graszangers › Zwartborstprinia
Zwartborstprinia | Prinia flavicans
Black-Chested Prinia | Prinia Pechinegra
De zwartborstprinia is de prinia van de droge westelijke savanne en de Karoo: in het broedkleed een grijsbruine zanger met een felgele onderzijde en een brede zwarte borstband. Buiten de broedtijd verdwijnt de band en blijft een gele, langstaartige vogel over. De soort komt vrijwel alleen in het gebied voor.
Geluid
Luidruchtig: een snel herhaald, droog zrrt-zrrt-zrrt en een helder tsjip-tsjip-tsjip of tsjeet-tsjeet, vanuit een struik met de staart rechtop. Bij onraad een scherp, nasaal gescheld. Paren roepen veel naar elkaar.
Opname: Yoann Blanchon — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
13–15 cm, met een lange, getrapte staart die vaak rechtop of schuin boven de rug wordt gehouden. De bovendelen zijn grijsbruin, met een witte tot lichtgele wenkbrauwstreep en een donkere teugel. In het broedkleed is de keel wit en ligt er een brede zwarte band over de borst, scherp afgezet tegen de gele buik en flanken. In het niet-broedkleed ontbreekt de band of blijven er alleen enkele donkere vlekjes over, en is de hele onderzijde geel tot okergeel. De iris is lichtbruin tot oranjebruin, de snavel zwart, de poten roze. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn geel van onderen en ongetekend.
Verwarringssoorten
In het broedkleed nauwelijks te verwarren. De roodoorprinia Malcorus pectoralis heeft ook een smalle zwarte borstband, maar een roestrode oorvlek, een witte onderzijde en een gestreepte rug, en rent over de grond in de Karoo. Zonder band lijkt de zwartborstprinia op de roestflankprinia Prinia subflava, maar die is wit met okerkleurige flanken, niet geel, en heeft roestige vleugelranden. De Karooprinia Prinia maculosa heeft een zwaar gestreepte keel en borst. De geelbuikeremomela Eremomela icteropygialis is kleiner, met een korte staart en alleen geel op de onderbuik. Een gele onderzijde, een lange staart en het droge leefgebied wijzen ook buiten de broedtijd op de zwartborstprinia.
Leefgebied
Droge savanne en doornveld, Kalahari-struweel, Nama-Karoo met struiken, droge rivierbeddingen met struikgewas, en ook tuinen, erven en akkerranden in droge streken. Foerageert laag in struiken en ruigte op insecten, meestal in paren.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Binnen het gebied in het zuidwesten van Angola (Namibe, Huíla en Cunene), in vrijwel heel Namibië behalve de kale Namib, in Botswana (vooral het midden, zuiden en westen), in het zuidwesten van Zimbabwe, en in Zuid-Afrika in de Noord-Kaap, de Noordwest-provincie, de Vrijstaat, Gauteng, het westen van Limpopo en de binnenlandse Karoo. Nergens buiten zuidelijk Afrika.
- Jaarrond
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Jaarrond; algemeen in de Kalahari en in Namibië, bijvoorbeeld rond Windhoek en in het Kgalagadi-grenspark, en in Angola onder meer bij de Tundavala-escarpment bij Lubango. In voorjaar en zomer is het broedkleed met de zwarte band op zijn best; let in de winter op de gele onderzijde en de lange, opgerichte staart.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. Algemeen en wijdverspreid in de droge savanne en het struweel van het gebied, en goed bestand tegen begrazing en bebouwing.
Wetenschappelijke naam
Prinia flavicans | (Vieillot, 1820)
Vieillot beschreef de soort in 1820 als Sylvia flavicans; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Prinia werd in 1821 ingevoerd door Horsfield. Prinia komt van prinya, de Javaanse naam voor Prinia familiaris, de prinia van dat eiland. flavicans is Latijn voor 'geelachtig, geel wordend', naar de gele onderdelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit zuidelijk Afrika; later beperkt tot Namakwaland.


