Alle soorten › Stormvogelachtigen › Zuidelijke stormvogeltjes › Zwartbuikstormvogeltje
Zwartbuikstormvogeltje | Fregetta tropica
Black-Bellied Storm Petrel | Paíño Ventrinegro
Het zwartbuikstormvogeltje is een stevig, zwart-wit stormvogeltje van de Zuidelijke Oceaan dat op subantarctische eilanden broedt, waaronder in kleine aantallen op de Prins Edwardeilanden. Het foerageert in een typische, springende vlucht waarbij het met de borst en de poten op het water stuitert, alsof het over de golven kaatst.
Geluid
Op zee zwijgzaam. In de broedkolonie 's nachts een hoog, fluitend gepiep, een herhaald pii-pii-pii, uit rotsspleten en holen.
Opname: Kevin Guille — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer 20 cm. Kop, borst en bovendelen zijn zwart tot zwartbruin, de stuit is wit en de onderzijde is wit met een zwarte middenstreep die van de borst over de buik naar de zwarte onderstaartdekveren loopt; die streep is soms smal of onderbroken en dan lastig te zien. De ondervleugel heeft een wit middenveld met brede zwarte randen. De staart is recht en de lange poten steken net voorbij de staartpunt uit. De seksen zijn gelijk. De vlucht is snel en zwenkend, laag over het water, met tussendoor zijdelingse sprongen waarbij de vogel met de poten van de golven afzet.
Verwarringssoorten
Het witbuikstormvogeltje (Fregetta grallaria) heeft een geheel witte buik zonder middenstreep, witte onderstaartdekveren en een wat lichtere, bruinere rug met lichte veerranden; de poten reiken niet voorbij de staart. Omdat de buikstreep bij het zwartbuikstormvogeltje soms nauwelijks zichtbaar is, zijn foto's van de onderzijde en de onderstaart nodig. Wilsons stormvogeltje (Oceanites oceanicus) is geheel donker onder, met alleen een witte stuit.
Leefgebied
Open oceaan, vooral koude subantarctische en Antarctische wateren; op trek ook boven warmer water aan de rand van het plat. Foerageert op kleine kreeftachtigen, inktvisjes en vislarven aan het oppervlak en volgt soms kort een schip. Broedt in rotsspleten, tussen stenen en in holen in steile hellingen op subantarctische eilanden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Broedt in kleine aantallen op de Prins Edwardeilanden. Voor het vasteland een schaarse doortrekker, meestal ver uit de kust voor de west- en zuidkust van Zuid-Afrika en voor Namibië, en ook in het Mozambiquekanaal voor KwaZulu-Natal en Mozambique. Broedt verder rond de Zuidelijke Oceaan, van de Zuidelijke Shetlandeilanden en Zuid-Georgia tot de Crozet- en Kerguelen-eilanden en de subantarctische eilanden van Nieuw-Zeeland, en trekt in de zuidelijke winter naar tropische wateren.
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Op pelagische tochten vanuit Kaapstad of Durban in de zuidelijke winter en het voorjaar kans op enkele vogels, die meestal langs het schip trekken zonder te blijven. Let op het kaatsen over de golven en probeer de buik te fotograferen; alleen zo is het onderscheid met het witbuikstormvogeltje te maken.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd op wereldschaal; de populatie telt vermoedelijk honderdduizenden paren. De kleine broedpopulatie op de Prins Edwardeilanden is kwetsbaar voor predatie door ingevoerde huismuizen op Marion en door grote jagers. Verlichting van schepen en stations trekt 's nachts vogels aan.
Wetenschappelijke naam
Fregetta tropica | (Gould, 1844)
Gould beschreef de soort in 1844 als Thalassidroma tropica; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Fregetta werd in 1855 ingevoerd door Bonaparte. Fregetta is afgeleid van het Franse frégate, 'fregat(vogel)'. Bonaparte stelde de naam in 1855 in. tropica is Latijn voor 'tropisch' — naar de vindplaats van het typeexemplaar in de equatoriale Atlantische Oceaan. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Equatoriale Atlantische Oceaan (6°33′ N, 18°6′ W).

