Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Zwarte kiekendief

Zwarte kiekendief | Circus maurus

Black Harrier | Aguilucho Negro

De zwarte kiekendief is een endemische roofvogel van zuidelijk Afrika en een van de zeldzaamste kiekendieven ter wereld, met naar schatting minder dan duizend volwassen vogels. Hij broedt in fynbos en renosterveld in de West- en Noord-Kaap en zwerft buiten de broedtijd over graslanden en halfwoestijn in het binnenland.

Zwarte kiekendief (Circus maurus)
Foto: Stephen Temple from Cape Town, South Africa — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Buiten de broedtijd meestal stil. Tijdens baltsvluchten boven het territorium een snel pie-pie-pie-pie en een kekkerend tjek-ek-ek-ek; het vrouwtje bedelt met een hoog pieuw om prooi van het mannetje.

Luister: VluchtroepXC723680

Opname: Murray Christian — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

48–53 cm, spanwijdte 105–115 cm. Volwassen vogels zijn geheel zwart met een helder witte stuit en een staart met brede zwarte en zilverwitte banden. Van onderen zijn de slagpennen wit met zwarte toppen en smalle zwarte banden, wat in de vlucht een opvallend zwart-wit ondervleugelpatroon geeft; ook van boven vormen de lichte handpenbases een zilverig vlak. Iris, washuid en poten zijn geel. De seksen zijn gelijk, het vrouwtje iets groter. Jonge vogels zijn donkerbruin van boven, met roomkleurige tot lichtbruine, donker gestreepte onderdelen, een witte stuit en dezelfde sterk gebandeerde staart. Vliegt laag en wiegend met de vleugels in een ondiepe V.

Verwarrings­soorten

Door het zwart-witte patroon van vleugels, stuit en staart is de adulte vogel onmiskenbaar. De zeldzame zwarte vorm van de grauwe kiekendief Circus pygargus mist de witte stuit en de zilverig gebandeerde staart. Jonge vogels kunnen lijken op vrouwtjes en jongen van de grauwe kiekendief en de steppekiekendief Circus macrourus, maar zijn forser, donkerder en hebben een zwaarder gebandeerde staart. De Afrikaanse bruine kiekendief Circus ranivorus is bruin, zonder witte stuit, en jaagt boven moeras.

Leefgebied

In de broedtijd in fynbos, renosterveld en strandveld, vooral op laaglandvlaktes en in heuvels met lage, dichte struiken en resten van natuurlijke vegetatie tussen graanakkers. Buiten de broedtijd ook in de Karoo, montaan grasland in de Drakensberg en Lesotho en hoogveld-grasland. Jaagt laag over de vegetatie op knaagdieren, vooral de gestreepte muis, en op kleine vogels en reptielen. Broedt op de grond in dichte struiken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Grotendeels beperkt tot Zuid-Afrika en Lesotho. Broedt vooral in de West-Kaap, langs de westkust tot Namakwaland in de Noord-Kaap en plaatselijk in de Oost-Kaap en de Karoo. Buiten de broedtijd noord- en oostwaarts tot in de Vrijstaat, KwaZoeloe-Natal, Mpumalanga en Lesotho, zeldzaam tot in het zuiden van Namibië en Botswana. Buiten zuidelijk Afrika niet bekend.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De West-Kaap is het beste gebied: het Weskus Nationaal Park, de Overberg rond Bredasdorp en De Hoop en de Tankwa-rand tussen juli en november, wanneer mannetjes baltsen en prooi naar het nest brengen. De witte stuit en de zilver-zwart gebandeerde staart zijn al op grote afstand te zien wanneer de vogel laag over het struikgewas wiegt.

Staat van instandhouding

Bedreigd op de Rode Lijst. De wereldpopulatie telt waarschijnlijk minder dan duizend volwassen vogels en neemt af. Oorzaken zijn het verlies en de versnippering van renosterveld en fynbos door akkerbouw en bebouwing, een gebrek aan knaagdieren in versnipperde restanten, aanvaringen met windturbines en een lage genetische diversiteit.

Wetenschappelijke naam

Circus maurus | (Temminck, 1828)

Temminck beschreef de soort in 1828 als Falco maurus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Circus werd in 1799 ingevoerd door De Lacépède. Circus komt van het Griekse kirkos, een deels mythische havik die naar zijn cirkelende vlucht werd genoemd (van kirkos, 'cirkel'). maurus is Latijn voor 'Moors', in de betekenis 'donker, zwart' — naar het grotendeels zwarte verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.