Alle soorten › Trapachtigen › Trappen › Zwarte trap

Zwarte trap | Afrotis afra

Southern Black Korhaan | Sisón Negro Alioscuro

De zwarte trap is een kleine, luidruchtige trap die alleen in het zuidwesten van Zuid-Afrika voorkomt, in fynbos, renosterveld en de Sukkulente Karoo. Het mannetje is met zijn zwarte hals en onderzijde, witte oorvlek en rode snavel onmiskenbaar zodra hij zich laat zien, en zijn raspende roep is een van de bekendste geluiden van het West-Kaapse platteland.

Zwarte trap (Afrotis afra)
Foto: Bernard DUPONT from FRANCE — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, raspend en herhaald kerrak-kerrak-kerrak van het mannetje, vanaf de grond of in een korte, trage baltsvlucht; soms gaat de reeks over in een snel krrr-a-krrr-a. Het mannetje roept vooral 's ochtends en na regen, en is vaak van ver te horen voordat hij te zien is.

Luister: ZangXC459429

Opname: Raphaël Nussbaumer — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

50 tot 53 cm. Het mannetje heeft een zwarte kop, hals en onderzijde, een grote witte vlek op de wang en oorstreek en een smalle witte band over de achterhals. De bovendelen zijn fijn zwart en roomkleurig gebandeerd. De snavel is rood met een donkere punt, de poten zijn helder geel. In de vlucht zijn de handpennen bij het mannetje geheel zwart, zonder witte vlek. Het vrouwtje heeft een roestbruine, fijn zwart gebandeerde kop, hals en borst en een zwarte buik; haar snavel is doffer roze. Jonge vogels lijken op het vrouwtje.

Verwarrings­soorten

De Botswanatrap (Afrotis afraoides) is vrijwel gelijk, maar het mannetje toont in de vlucht een grote witte vlek in de handpennen, en het vrouwtje heeft een lichtere, wittige borst; de twee soorten overlappen alleen in een smalle zone langs de rand van de Karoo, waar ook bastaarden voorkomen. De Zuid-Afrikaanse kuiftrap (Lophotis ruficrista) komt niet in het zuidwesten voor. De blauwe trap (Eupodotis caerulescens) heeft een blauwgrijze hals en onderzijde.

Leefgebied

Fynbos en renosterveld, ook struikvegetatie van de Sukkulente Karoo en het strandveld langs de westkust, en omliggende weilanden en braaklanden tussen akkers. Mijdt dichte, hoge struiken en zoekt terrein met lage, open vegetatie. Eet insecten, vooral kevers, termieten en sprinkhanen, verder zaden en groene plantendelen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Endemisch voor Zuid-Afrika: West-Kaap en het zuidwesten van de Noord-Kaap (Namakwaland tot rond Springbok), oostwaarts langs de zuidkust en de westelijke Karoo tot in het westen van de Oost-Kaap. Daarbuiten niet bekend; de noordelijke en oostelijke binnenlanden worden door de Botswanatrap bezet.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Rijd in het voorjaar (augustus tot oktober) langs de onverharde wegen van de Swartland, de Overberg, het West Coast National Park of het Bontebok National Park en luister naar het raspende geroep. Het mannetje staat vaak op een termietenheuvel of een kaal stuk grond; het vrouwtje drukt zich bij gevaar plat tussen de struiken en is veel lastiger te vinden.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar. Het verspreidingsgebied is in de afgelopen eeuw sterk versnipperd door de omzetting van renosterveld en fynbos in tarwe- en wijnbouw, en de aantallen nemen verder af. De soort lijdt bovendien onder botsingen met hoogspanningsleidingen en verstoring door honden. Beschermde stukken renosterveld en extensief beheerde boerderijen zijn belangrijk voor het voortbestaan.

Wetenschappelijke naam

Afrotis afra | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Otis afra; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Afrotis werd in 1855 ingevoerd door Gray. Afrotis combineert het Latijnse Afer, 'Afrikaans', met het Griekse ōtis, 'trap' — een 'Afrikaanse trap'. afra is Latijn voor 'Afrikaans'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.