Alle soorten › Trapachtigen › Trappen › Botswanatrap

Botswanatrap | Afrotis afraoides

Northern Black Korhaan | Sisón Negro Aliclaro

De Botswanatrap is de noordelijke tegenhanger van de zwarte trap en een van de meest geziene trappen van het binnenland, van de Kalahari tot het Hoogveld. Het mannetje valt op door zijn opvallende baltsvlucht: luid roepend fladdert hij op, laat zich dan met hangende gele poten en trage vleugelslagen naar beneden zakken en toont daarbij grote witte vlekken in de vleugels.

Botswanatrap (Afrotis afraoides)
Foto: Chris Eason — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, raspend kraak-kraak-kraak of kerrak-kerrak, vanaf de grond en tijdens de baltsvlucht, soms in een snelle reeks die de hele vallei vult. Het mannetje roept de hele dag door, het meest in de ochtend en in de broedtijd; het vrouwtje is grotendeels stil.

Luister: RoepXC1059315

Opname: Yoann Blanchon — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

50 tot 53 cm. Het mannetje heeft een zwarte kop, hals en onderzijde met een grote witte wang- en oorvlek en een smalle witte band over de achterhals; de bovendelen zijn fijn zwart en roomkleurig gebandeerd. Snavel rood met donkere punt, poten helder geel. In de vlucht een brede witte vlek over de basis van de handpennen, die bij het zittende mannetje soms als witte streep langs de vleugelrand zichtbaar is. Het vrouwtje heeft een geelbruine, fijn gebandeerde kop en hals, een wittige borst en een zwarte buik. Jonge vogels lijken op het vrouwtje.

Verwarrings­soorten

De zwarte trap (Afrotis afra) van het zuidwesten is vrijwel gelijk, maar het mannetje heeft in de vlucht geheel zwarte handpennen en het vrouwtje een roestbruin gebandeerde borst; in de smalle overgangszone langs de Karoo komen bastaarden voor. De Zuid-Afrikaanse kuiftrap (Lophotis ruficrista) heeft een grijze kop en hals en V-tekening op de rug. De Senegaltrap (Eupodotis senegalensis) en de blauwe trap (Eupodotis caerulescens) missen de zwarte hals.

Leefgebied

Open, droge vlakten met gras en lage struiken: Nama-Karoo, Kalahari-doornveld, droge hoogveldgraslanden en open acaciasavanne, ook braakland en extensief beweide boerderijen. Mijdt dichte bossen en hoge, dichte graslanden. Eet insecten, vooral termieten, mieren en kevers, verder zaden en groene plantendelen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Vrijwel endemisch voor het gebied: het grootste deel van Namibië behalve de kale Namibwoestijn, heel Botswana behalve het noorden met de Okavango en Chobe, het binnenland van Zuid-Afrika (Noord-Kaap, Vrijstaat, Noordwest, Gauteng, het zuiden van Limpopo en de noordelijke Karoo tot in de Oost-Kaap), het westen van Lesotho en het uiterste zuidwesten van Angola. Daarbuiten niet bekend.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Een van de gemakkelijkste trappen om te zien: rijd door de Kgalagadi, het Mokala National Park of de Vrijstaat en let op mannetjes die op de grond staan te roepen of in de baltsvlucht boven het veld hangen. Het vrouwtje zit meestal verscholen tussen de struiken en wordt vaak pas opgemerkt wanneer het mannetje haar begeleidt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in grote delen van het binnenland algemeen. Plaatselijk neemt de soort af door intensieve landbouw en botsingen met hoogspanningsleidingen, maar zij verdraagt extensieve veeteelt goed en heeft een groot en grotendeels onaangetast verspreidingsgebied.

Wetenschappelijke naam

Afrotis afraoides | (Smith, 1831)

Smith beschreef de soort in 1831 als Otis Afraoïdes; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Afrotis werd in 1855 ingevoerd door Gray. Afrotis combineert het Latijnse Afer, 'Afrikaans', met het Griekse ōtis, 'trap' — een 'Afrikaanse trap'. afraoides betekent 'lijkend op afra', met het Griekse achtervoegsel -oides — naar de sterke gelijkenis met de zwarte trap. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Vlakten bij de Oranjerivier.