Alle soorten › Zangvogels › Graszangers › Zwartteugelgraszanger

Zwartteugelgraszanger | Cisticola nigriloris

Black-Lored Cisticola | Cistícola Enmascarado

De zwartteugelgraszanger is een grote, forse en rijk gekleurde graszanger van montane ruigte, endemisch voor de hooglanden van Zuidwest-Tanzania, Noord-Malawi en Noordoost-Zambia. Een zwart vlak op teugel en rond het oog, een roodbruine kruin en luide duetten van paren en familiegroepen maken hem in zijn beperkte leefgebied goed herkenbaar.

Zwartteugelgraszanger (Cisticola nigriloris)
Foto: markusgmeiner — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Paren duetten luid, in het broedseizoen met drie doordringende, piepende tonen die aan een ongesmeerd scharnier doen denken; familiegroepen laten een lawaaierig koor horen van piepende en schurende tonen. Contactroep een schurend tsjer.

Luister: ZangXC459257

Opname: Stein Ø. Nilsen — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

15–16 cm, fors gebouwd; het mannetje is groter dan het vrouwtje. De kruin is helder roodbruin; een groot zwart vlak op de teugel en rond het oog steekt af tegen de lichtere wangen. De rug is donkerbruin, egaal of vaag gestreept. De onderdelen zijn wit met beige tot okerkleurige flanken. De lange staart is donker met lichte punten. De iris is roodbruin, de snavel en de mondholte zwart, de poten dofroze. De seksen zijn verder gelijk en het seizoensverschil in het kleed is gering. Jonge vogels zijn doffer, met een minder uitgesproken zwarte teugel.

Verwarrings­soorten

De snorgraszanger Cisticola njombe deelt het montane grasland van Nyika, maar is kleiner, heeft een gestreepte rug en geen zwarte teugel en zingt een snorrend geluid in de zangvlucht. De jammergraszanger Cisticola lais heeft een zwaar gestreepte rug, geen zwart in het gezicht en een klaaglijke zang, in open grazige hellingen. De witbrauwgraszanger Cisticola cantans leeft ook in bergruigte, maar is kleiner, met een duidelijke witte wenkbrauwstreep en een roodbruin vleugelpaneel. De roodmaskergraszanger Cisticola erythrops heeft een roodachtig gezicht zonder zwart. De zwarte teugel in combinatie met de roodbruine kruin en de forse bouw is in het gebied uniek.

Leefgebied

Hoog gras met adelaarsvaren en verspreide struiken in montaan grasland, langs bosranden en in vochtige laagten en valleien, vaak in de buurt van water, op ongeveer 1100–2400 m. Foerageert in paren en familiegroepjes tot negen vogels laag in de ondergroei op insecten, vaak in gezelschap van Afrikaanse roodborsttapuiten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied in het noorden van Malawi (Nyika-plateau en andere hooglanden in het noorden) en in het noordoosten van Zambia (het Zambiaanse deel van het Nyika-plateau en de Mafinga-heuvels). Daarbuiten alleen in de hooglanden van Zuidwest-Tanzania.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond; het Nationaal Park Nyika is de plek, bijvoorbeeld in de varens en ruigte langs de bosranden rond Chelinda. Luister naar het lawaaierige, piepende duet; de groepjes komen vaak op struiken en varens in het zicht. Let op de zwarte teugel, die ook in slecht licht opvalt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Het areaal is klein, maar een groot deel ligt in beschermd gebied. Te frequente branden en overbegrazing van montaan grasland kunnen plaatselijk leefgebied aantasten.

Wetenschappelijke naam

Cisticola nigriloris | Shelley, 1897

Shelley beschreef de soort in 1897 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Cisticola werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Cisticola is gevormd uit het Griekse kisthos 'cistusroos' en het Latijnse colere 'bewonen'. nigriloris is modern Latijn voor 'met zwarte teugels', van niger, 'zwart', en lorum, 'teugel' — naar de zwarte streep tussen snavel en oog. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kombe, Misukubergen, Noord-Malawi.