Alle soorten › Vleermuizen

Vleermuizen | Chiroptera

Bats | Murciélagos

De enige zoogdieren die werkelijk vliegen. De hand is buitensporig verlengd: vier vingers spannen tussen zich een dubbele huidlaag met bloedvaten, zenuwen en fijne spiertjes, die langs de flank tot aan de enkel doorloopt en bij de meeste soorten ook tussen de achterpoten; de duim blijft vrij en draagt een klauw. De achterpoten zijn naar buiten gedraaid zodat de knie naar achteren buigt, en de tenen worden door een pees vastgezet: hangen kost geen spierkracht. Op één familie na oriënteren de Europese soorten zich op hun gehoor, door zeer hoge roepen uit te stoten en uit de weerkaatsing af te leiden waar een insect zit en hoe het beweegt; de oren zijn groot en beweeglijk. Er komt één jong per jaar, in een kraamkolonie van wijfjes, en de dieren worden voor hun formaat uitzonderlijk oud — een vleermuis van tien gram kan dertig jaar halen.

Families in deze orde

  • Grafvleermuizen | Emballonuridae1 soortBij deze vleermuizen doorboort de staart de bovenzijde van de staartvlieg en steekt daar met een vrij uiteinde doorheen, waarna hij als in een schede heen en weer kan schuiven: strekt het dier de poten, dan spant het vlies zich, trekt het ze op, dan plooit het vlies zich terug. Het gezicht is glad, zonder neusblad, en de ogen zijn voor een vleermuis groot — zicht telt hier mee. De vleugels zijn lang en smal en de vlucht is snel en recht, hoog boven open terrein. Ze rusten niet weggekropen maar op lichte plekken: grotmonden, ruïnes, grafkelders en gebouwen, elk op afstand van zijn buren, en bewegen zich klauterend op de polsen zijwaarts over de wand. Bij veel soorten ligt in de vlieghuid van de arm of onder de keel een kliertas waarmee mannetjes hun geur verspreiden. De enige soort van dit gebied is een forse vleermuis met een naakte buik en achterhand.
  • Langvleugelvleermuizen | Miniopteridae3 soortenDe familie is naar de vleugel genoemd: het buitenste lid van de derde vinger is buitengewoon lang en klapt in rust dubbel naar achteren, zodat de vleugelpunt langs de arm wordt opgeborgen. Uitgeslagen levert dat een zeer lange, smalle vleugel op en een snelle, hoge vlucht met scherpe bochten, meer op een gierzwaluw dan op een gewone vleermuis lijkend. De vacht is kort, dicht en fluweelachtig en het voorhoofd is opvallend hoog en bol. Ze zijn het hele jaar door grotdieren en hangen in dichte, elkaar rakende trossen van soms duizenden; tussen de zomerkolonie en het winterverblijf worden afstanden van honderden kilometers afgelegd, waarmee ze de meest trekkende vleermuizen van Europa zijn. De voortplanting kent een eigen oplossing: na de paring in het najaar volgt de bevruchting meteen, maar de groei van de kiem wordt de hele winter stilgezet en hervat pas in het voorjaar, zodat alle jongen binnen enkele dagen van elkaar worden geboren.
  • Bulldogvleermuizen | Molossidae1 soortDe achterste helft van de staart steekt vrij buiten de staartvlieg uit — vandaar de naam. De vleugels zijn de smalste en spitste van alle vleermuizen en worden in rust onder een leerachtige plooi langs de flank weggevouwen. Die vleugelvorm levert een zeer snelle maar weinig wendbare vlucht op: ze jagen hoog in de open lucht, boven bergruggen, kliffen en verlichte steden, en niet tussen begroeiing. De roep is daarop afgestemd — laag van toon, met een groot bereik, en zo laag dat een mens hem als een hard tikken kan horen. De snuit is breed en stomp met een gerimpelde bovenlip, de oren zijn dik, naar voren gericht en over het voorhoofd verbonden, en de korte, krachtige poten dragen borstelharen. Ze slapen in rotsspleten en bouwvoegen; om op te stijgen laten ze zich eerst vallen. In Europa gaat het om één soort, een grote vleermuis van rotswanden in het zuiden.
  • Gladneuzen | Vespertilionidae42 soortenVerreweg de grootste en minst gespecialiseerde vleermuizenfamilie: een glad gezicht zonder neusblad, een oorklep in de oorschelp, en een staart die geheel in de staartvlieg is opgenomen, waarvan de punt tijdens de jacht naar voren wordt gekromd tot een schepnet waarin een insect wordt gevangen. De roep gaat door de geopende bek en bestaat uit korte stoten die van hoog naar laag vegen. De vleugelvorm volgt de manier van jagen: breed en rond bij soorten die tussen bladeren en over water prooi van een oppervlak plukken, lang en smal bij soorten die hoog in het open luchtruim vliegen. In het najaar wordt gepaard, maar het zaad blijft de winter over in het lichaam van het wijfje bewaard en de bevruchting volgt pas in het voorjaar, wanneer het insectenaanbod op gang komt. Er komt één jong, zelden twee. Met tweeënveertig soorten is dit de grootste zoogdierfamilie van het gebied, en verscheidene daarvan zijn in het veld alleen aan hun roep te scheiden.
  • Vleerhonden | Pteropodidae1 soortGrote vleermuizen die het van hun ogen en hun neus moeten hebben: de oogbol is groot, de snuit lang als bij een hond, en vrucht en bloesem worden op zicht en geur gevonden. Van de hele familie oriënteert alleen het geslacht waartoe de Europese soort behoort zich mede op weerkaatsing, en die roep wordt niet in het strottenhoofd gemaakt maar met de tong tegen het gehemelte geklikt — precies genoeg om ook diep in donkere grotten te kunnen slapen, wat de meeste verwanten niet kunnen. De oorrand vormt een gesloten ring en een oorklep ontbreekt; naast de duim draagt ook de tweede vinger een klauw. De kiezen zijn breed en stomp: het vruchtvlees wordt uitgeperst, het sap doorgeslikt en de vezel als een propje uitgespuwd. Winterslaap en verstijving komen niet voor en insecten worden niet gegeten. In het gebied van deze gids leeft één soort, in grote kolonies in grotten van het oostelijke Middellandse Zeegebied.
  • Bladneusvleermuizen | Hipposideridae1 soortVerwant aan de hoefijzerneuzen en met dezelfde werkwijze — de roep gaat door de neus en wordt door een vlezig neusblad gebundeld — maar het blad is anders gebouwd: breed en van boven recht of in punten afgesloten, zonder het opgerichte lancet van de hoefijzerneuzen. Ook hier dragen de tenen elk twee kootjes in plaats van drie, wat de voet tot een eenvoudige haak maakt waaraan het dier zich moeiteloos ophangt. De vleugels zijn kort en breed en de vlucht is traag en fladderend, met korte zweefstukken, geschikt om tussen struiken en rotsblokken naar zittende en laagvliegende insecten te zoeken. De roep bestaat uit een korte toon van gelijkblijvende hoogte met een dalende veeg aan het eind. Ze slapen vrij hangend in grotten, putten en ruïnes, ieder op enige afstand van zijn buurman. De enige soort van het gebied is een bleek woestijndier van de zuidoostelijke rand.
  • Hoefijzerneuzen | Rhinolophidae6 soortenVleermuizen die hun roep niet door de bek maar door de neusgaten uitstoten en met een neusblad in drie delen richten: een hoefijzervormige plooi om de neusgaten heen, een rechtopstaand puntig lancet erboven en een zadelvormig tussenstuk. De oren zijn groot, spits en zonder oorklep, en bewegen onafhankelijk en zeer snel. De roep is een lange toon van vrijwel gelijkblijvende hoogte; in de terugkerende echo hoort het dier de vleugelslag van een insect als een trilling. Om die echo binnen het smalle bereik te houden waarop het oor is afgestemd, verlaagt de vleermuis tijdens de vlucht de hoogte van zijn eigen roep naarmate hij sneller op zijn prooi afkomt. De vleugels zijn breed en rond, de vlucht traag, laag en wendbaar. De achterpoten zijn zo eenzijdig op hangen gebouwd dat lopen niet gaat; in rust hangen ze vrij en wikkelen ze de vleugels als een mantel volledig om het lichaam — geen andere Europese vleermuis doet dat.
  • Muisstaartvleermuizen | Rhinopomatidae2 soortenVleermuizen met een staart die bijna zo lang is als het lichaam en die vrij achter het dier aan sleept: de staartvlieg is tot een smalle rand teruggebracht en laat het grootste deel van de staart buiten. De neusgaten zijn spleetvormig en kunnen worden gesloten tegen opwaaiend zand, en boven de snuit staat een klein, rond neusblad. De oren zijn groot en over het voorhoofd met elkaar verbonden. De vleugels zijn breed en de vlucht is traag en golvend, laag over open woestijn en langs oases. Ze slapen in grotten, waterputten, ruïnes en grafkamers, vaak in losse groepen. Bijzonder is hun omgang met het jaargetijde: in de goede maanden leggen ze in de buikholte grote vetvoorraden aan waarmee ze in het koele of droge seizoen weken achtereen in verstijving doorbrengen — voor een vleermuis van heet land een ongewone oplossing.