Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › Aardmuis
Aardmuis | Microtus agrestis
Field vole | Topillo Agreste
De aardmuis is een woelmuis van vochtig, ruig en ongemaaid grasland. Het areaal loopt van Groot-Brittannië en de Atlantische kust tot in Siberië en van Lapland tot de Alpen en de Karpaten. Over een groot deel daarvan leeft de soort naast de veldmuis, waarop hij sterk lijkt; het onderscheid tussen deze twee is het uitgangspunt voor de determinatie binnen de groep.
Sporen
Het meest zichtbaar is het wisselstelsel in ongemaaid gras. Onder de graspollen ligt een net van kanaaltjes van drie tot vier centimeter breed, kaalgelopen tot op het wortelvilt, met daartussen de holingangen: ronde gaten van ongeveer drie centimeter, meestal zonder aardhoopje ervoor. Anders dan de veldmuis graaft de aardmuis weinig; zijn gangen zijn oppervlakkig, hooguit twintig tot dertig centimeter diep, en het stelsel ligt grotendeels boven de grond, onder de vegetatie. Het nest is een bol van fijngeknipt gras van ongeveer twintig centimeter, gebouwd in een ondiepe kuil onder een graspol of onder de sneeuw; na de dooi liggen die bollen onbedekt op het veld. In de wissels liggen afgeknipte grasstengels van twee tot vijf centimeter, schuin afgebeten en in hoopjes langs de kant, en de keutels: cilindertjes van vier tot zeven millimeter met stompe uiteinden, vers grasgroen, later bruin, in kleine latrines op vaste punten. In de winter en bij hoge dichtheden knaagt hij bast aan de voet van jonge bomen en struiken; in Britse en Scandinavische bosaanplant is hij daarmee de knaagdiersoort die de meeste schade veroorzaakt. Kerkuil, ransuil en velduil eten de soort in grote aantallen, en braakbalonderzoek is voor deze hele groep de betrouwbaarste bron. De kiezen van Microtus zijn plat, in scherpe zigzagprisma's gevouwen en groeien levenslang door, terwijl die van de rosse woelmuis wortels krijgen en slijten; binnen het geslacht is de aardmuis te herkennen aan de tweede bovenkies, die aan de binnenzijde een extra driehoekje draagt dat altijd van de rest gescheiden is.

In zijn leefgebied

De kop van dichtbij

Het jong

Herkenning
Een gedrongen woelmuis met een stomp, bol kopje, kleine oogjes en een korte staart van 2,7 tot 4,7 cm, ongeveer een derde van de kop-romplengte. De vacht is lang, zacht, ruig en donker, grijsbruin tot kastanjebruin op de rug, vaak met een dofzwarte zweem over de flank, en crèmegrijs op de buik; de lange dekharen steken boven het onderhaar uit, waardoor de vacht pluizig en ongelijk oogt. De staart is duidelijk tweekleurig, donker boven en licht onder, en behaard. Het bruikbaarste kenmerk zit aan de kop: de oren zijn klein, rond en half verborgen in de lange haren aan de oorbasis, en van binnen behaard. Bij de veldmuis steken ze net boven de vacht uit en is de binnenzijde kaal. Dit verschil is alleen met het dier in de hand en bij goed licht vast te stellen, niet met een verrekijker.
Gelijkende soorten
De determinatie in het veld levert bij deze soort meestal geen zekerheid op. Waar de veldmuis in hetzelfde gebied voorkomt, zoals in Nederland en België en op het Europese vasteland, is een woelmuis die door het gras rent niet op naam te brengen, en een scherpe foto van een woelmuis in de berm meestal ook niet. Op het vasteland van Groot-Brittannië is de aardmuis de enige Microtus; de veldmuis komt daar alleen op Orkney en Guernsey voor, zodat de verwarring zich daar beperkt tot rosse woelmuis en bosmuis. Een aanwijzing geeft de combinatie van vacht en terrein: donkerder, ruiger en langharig in vochtig, ongemaaid, pollig gras, tegenover gladder, geler en korter behaard in kort, droog, beweid gras. In een natte hooilandhoek, een verruigde slootkant of een jonge bosaanplant is de aardmuis de waarschijnlijke soort, op kort weiland de veldmuis; zekerheid geeft dat niet. In de hand zijn oorgrootte en de behaarde binnenkant van de oorschelp bruikbaar, en bij twijfel het gebit. De noordse woelmuis is groter, donkerder en langstaartiger, leeft in natte, moerassige terreinen en overlapt met de aardmuis in rietland en moeras. De rosse woelmuis heeft een roodbruine rug, grote ogen, duidelijk uitstekende oren en een twee keer zo lange staart en leeft in bos en struweel; de bosmuis heeft zeer grote oren, uitpuilende ogen en een staart zo lang als het lichaam, en beweegt zich springend voort; de dwergmuis is zeer klein en oranjegeel, met een grijpstaart. In het zuiden en zuidwesten van Europa zijn twee soorten van de aardmuis afgesplitst die morfologisch niet van hem te onderscheiden zijn: Microtus lavernedii in Zuid-Frankrijk, Noord-Italië, de Alpen en Noord-Spanje (van Cantabrië en Baskenland langs de Pyreneeën tot Catalonië) en Microtus rozianus in Noordwest-Iberië (Galicië, het westen van Asturië en León en Noord-Portugal). De grens tussen die twee ligt rond zes graden westerlengte en is alleen genetisch vastgesteld. Toewijzing gebeurt daar op grond van de vindplaats; in de smalle contactzone in de Zwitserse Jura is ook dat niet mogelijk.
Leefgebied
Ruig, vochtig, ongemaaid en onbeweid grasland: natte hooilanden, verruigde slootkanten en dijkvoeten, riet- en zeggenmoeras, pijpenstrootjevelden, veenmosveen en hoogveen, natte heide, jonge bosaanplant en kapvlakten met opschot, spoortaluds, braakland en duinvalleien. De soort is afhankelijk van een dichte, hoge kruidlaag en verdwijnt waar kort en intensief wordt beweid of gemaaid; daar neemt de veldmuis haar plaats in. In Groot-Brittannië en Scandinavië komt de aardmuis ook in bos en op heide en hoogveen voor, en in de bergen tot boven de tweeduizend meter.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Van Groot-Brittannië en de Atlantische kust tot in Siberië en van Lapland tot de Alpen en de Karpaten. In het zuiden en zuidwesten wordt de soort vervangen door twee afgesplitste zustersoorten; zij ontbreekt daardoor op het Iberisch Schiereiland, in Zuid-Frankrijk en in Italië. Oudere opgaven van Microtus agrestis uit Galicië, de Cantabrische kust, de Pyreneeën en Catalonië hebben betrekking op M. rozianus en M. lavernedii. In Groot-Brittannië is de aardmuis een van de talrijkste zoogdieren, algemeen van Cornwall tot de Schotse Hooglanden en aanwezig op de meeste grotere eilanden; op het vasteland is hij daar de enige Microtus. In Ierland ontbrak de soort van nature; sinds 2020 is hij daar met zekerheid vastgesteld, eerst in County Monaghan, en inmiddels leven er zich voortplantende populaties in het noordelijke derde deel van het eiland, vermoedelijk na opzettelijke uitzetting. In Nederland en België is hij algemeen waar grasland ruig blijft, met lagere aantallen in het noordwesten van Nederland en op een deel van de Waddeneilanden, en afwezig in intensief gemaaid cultuurland. Anders dan de veldmuis veroorzaakt de aardmuis geen plagen in de landbouw, maar de aantallen schommelen met de muizenjaren; dat is terug te zien in het broedsucces van velduil, blauwe kiekendief, torenvalk en ruigpootbuizerd en in de stand van de wezel.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Actief in korte perioden van twee tot vier uur verdeeld over dag en nacht, in de zomer vooral in de schemer en 's nachts, in de winter vooral overdag; bij de veldmuis ligt de activiteit juist meer overdag. Vrijwel geheel planteneter: bladeren en stengels van grassen en kruiden, met een voorkeur voor klaver en paardenbloem, en in de winter graszaad, wortels, paddenstoelen en bast. De aardmuis leeft niet in kolonies maar in overlappende leefgebieden van enkele honderden tot ruim duizend vierkante meter, waarin vrouwtjes in de voortplantingstijd een territorium verdedigen en mannetjes elkaar mijden; het paarsysteem is promiscue, en tot een derde van de worpen heeft meer dan één vader. Van maart tot oktober, en in zachte winters het hele jaar, volgen de worpen elkaar op na een draagtijd van ongeveer twintig dagen, met één tot acht jongen; noordelijke worpen zijn groter dan zuidelijke en zomerworpen groter dan winterworpen. Jonge vrouwtjes zijn na ongeveer vier weken vruchtbaar en planten zich, als ze vroeg in het jaar geboren zijn, nog vóór hun eerste winter voort. Vrijwel geen aardmuis wordt ouder dan twintig maanden en bijna geen enkele overleeft een tweede winter. Er is geen winterslaap; onder de sneeuw is de soort het actiefst.
Waar en wanneer kijken
Zoek in maart, wanneer na de dooi het hele wisselstelsel zichtbaar is: loop een verruigde dijkvoet, een natte hooilandhoek of een jonge aanplant af en kijk naar de grasbollen en de kanaaltjes daartussen. Het dier zelf is het best te zien bij geduldig wachten aan de rand van een pol pijpenstrootje bij zonsopgang of in de schemer; het loopt met de kop laag en verdwijnt bij het minste geluid. Een jagende velduil, torenvalk of ruigpootbuizerd boven een ruig veld geeft een aanwijzing voor een geschikte plek. De betrouwbaarste methode is braakbalonderzoek: verzamel in de winter braakballen onder een roestplaats van een kerkuil en pluis ze uit. Dat geeft meer informatie over de woelmuizen in een gebied dan waarnemingen in het veld, en het is de enige methode die aardmuis en veldmuis met zekerheid van elkaar scheidt.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2024). Over het hele areaal is de aardmuis een van de talrijkste zoogdieren van Noord-Europa; de Britse voorjaarsstand alleen al wordt op vijfenzeventig miljoen dieren geschat. Aan de oostrand van het areaal, in Oost-Siberië, is de soort zeldzaam. De soort is afhankelijk van ruige vegetatie. Waar bermen, dijken en slootkanten twee of drie keer per jaar kort worden gemaaid, waar natuurgrasland kort wordt beweid en waar hooilanden verdrogen, verdwijnt de aardmuis en komt de veldmuis ervoor in de plaats. Voor het beheer betekent dat gefaseerd maaien, overstaande stroken laten staan en het waterpeil niet verder verlagen. Aardmuizen vormen in Noord-Europa een hoofdbestanddeel van het voedsel van velduil, ransuil, torenvalk, wezel en hermelijn, en in Groot-Brittannië ook van de blauwe kiekendief.
Wetenschappelijke naam
Microtus agrestis | (Linnaeus, 1761)
Linnaeus beschreef de soort in 1761 als Mus agrestis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Microtus is Grieks, van mikros 'klein' en ous, genitief ōtos, 'oor', naar de kleine oren die in de vacht wegvallen. agrestis is Latijn voor 'van het veld, landelijk', bij ager 'akker, veld'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden, Uppsala.






