Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › Veldmuis
Veldmuis | Microtus arvalis
Common Vole | Topillo Campesino
De veldmuis is het talrijkste zoogdier van het Europese boerenland en een hoofdprooi van veel predatoren: buizerd, torenvalk, kerkuil, velduil, ooievaar, reiger, vos, wezel en hermelijn volgen in hun voortplanting de aantallen van deze soort. In de hand is de veldmuis van de aardmuis nauwelijks te onderscheiden, en in het veld niet.
Sporen
De veldmuis is het gemakkelijkst vast te stellen aan het wisselstelsel. In kortgrazig, dicht grasland ligt onder de zode een net van tunneltjes van drie tot vier centimeter breed, kaalgelopen tot op de wortelmat, die de holingangen met elkaar verbinden; wanneer het gras met de hand opzij wordt geschoven, is het patroon zichtbaar. De holingangen zijn ronde gaatjes van ongeveer drie centimeter, meestal zonder aardhoopje ervoor, vaak vijf tot vijftien bij elkaar. In de wissels liggen afgebeten grasstengels: schuin en glad afgebeten stukjes van twee tot vijf centimeter, in kleine hoopjes aan de kant gelegd, met de zaadaren eraf gegeten; dit is het duidelijkste vraatspoor van de soort. De keutels zijn 4 tot 7 mm lang, cilindrisch met stompe uiteinden, vers grasgroen en later bruin; ze liggen in kleine latrines op vaste plekken in de wissel. Na de sneeuw ligt het hele stelsel bloot: de winternesten van fijn afgebeten gras, die boven de grond onder de sneeuwlaag zijn gebouwd, blijven na de dooi als vuistgrote bollen geel gras op het weiland liggen, met de wissels als geulen daartussen. In een muizenjaar is een weiland aan het einde van de winter volledig omgewoeld en geel. Verder knaagt de veldmuis bast aan de voet van jonge fruitbomen en struiken, vlak boven de grond en onder de sneeuw hoger, waardoor een boomgaard in één winter kan worden geringd. Braakballen van kerkuil, ransuil en velduil, die deze soort in grote aantallen eten, zijn voor deze groep de betrouwbaarste bron: de kiezen van Microtus zijn plat, in scherpe zigzagprisma's gevouwen en groeien levenslang door, terwijl die van de rosse woelmuis wortels krijgen en afslijten.



De kop van dichtbij

Herkenning
Een gedrongen woelmuis met een bolle, stompe kop, kleine ogen en kleine, half in de vacht verborgen oren, en een korte staart van 2,5 tot 4,5 cm, ruwweg een derde van de kop-romplengte. De vacht is kort, zacht en glad, dof geelgrijs tot geelbruin op de rug — zonder het roodbruin van de rosse woelmuis en zonder de ruige, langharige vacht van de aardmuis — en vuilwit tot lichtgrijs op de buik, met een tamelijk scherpe scheiding op de flank. De staart is licht behaard en tweekleurig, donker boven en licht onder. De veldmuis loopt laag en snel over de grond en springt niet. De oren zijn het bruikbaarste kenmerk: bij de veldmuis steken ze net boven de vacht uit en is de oorschelp aan de binnenkant kaal, bij de aardmuis zijn ze kleiner en van binnen behaard; dat verschil is alleen met het dier in de hand en bij goed licht te zien.
Gelijkende soorten
Veldmuis, aardmuis en noordse woelmuis zijn in het veld niet met zekerheid te onderscheiden. Een dier dat over een pad schiet of onder een graspol verdwijnt, is alleen als 'woelmuis' te benoemen, en een foto van een woelmuis in het gras is meestal niet tot op de soort te brengen, ook niet wanneer er op internet een naam bij staat. In de hand is meer mogelijk: de aardmuis heeft een ruigere en donkerder vacht, met kleinere, aan de binnenzijde behaarde oren; de noordse woelmuis is groter, donkerder en langstaartiger en leeft in natte, moerassige terreinen waar de andere twee ontbreken. Op het Iberisch Schiereiland komen daarnaast de Baskische woelmuis en de Provençaalse woelmuis voor, beide met nog kleinere ogen en oren en een meer ondergrondse leefwijze, en de Cabrerawoelmuis, die groter is, een langere vacht heeft en aan vochtige ruigten gebonden is. Zekerheid geeft alleen het gebit, en bij de noordse woelmuis ook de leefomgeving. Buiten deze groep is determinatie eenvoudig: de rosse woelmuis heeft een roodbruine rug, grote ogen, uitstekende oren en een twee keer zo lange staart en leeft in bos en struweel; de bosmuis heeft zeer grote oren, uitpuilende ogen en een staart zo lang als het lichaam, en springt; de huismuis is grijs, heeft een spitse snuit en een naakte, geschubde staart.
Leefgebied
De veldmuis leeft in open, kort en dicht grasland op drogere grond: weiland, hooiland, dijken, bermen, spoortaluds, akkerranden, braakland, luzerne- en graanpercelen, boomgaarden en jonge aanplant. De soort heeft gras dat een dichte zode vormt en een bodem waarin zij kan graven nodig, en mijdt natte terreinen, moeras, dicht struweel en bos. In Zuid-Europa leeft zij in bergweiden en, in Spanje, in luzerne, graan, bevloeide akkers en akkerranden op de Meseta. De hoogste dichtheden komen niet in natuurgebieden voor maar in intensief gebruikt boerenland met kruidenarm, kort gras, en daar ontstaan periodiek plagen.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
De veldmuis komt voor van Noord-Spanje en Midden-Frankrijk tot Zuid-Finland en van de Atlantische kust tot ver in Rusland. Op het Iberisch Schiereiland was zij tot het midden van de twintigste eeuw een bergdier, beperkt tot de vochtige weiden van het Cantabrisch Gebergte, de Pyreneeën en het Iberisch Randgebergte. Sinds de jaren zeventig heeft zij de noordelijke Meseta gekoloniseerd, geholpen door bevloeiing, luzerneteelt en ruilverkaveling, en zij bewoont nu heel Castilië en León en een groot deel van Castilië-La Mancha, Aragón, Navarra en La Rioja. Met die kolonisatie kwamen de plagen: de pieken van 2007, 2014 en 2019 troffen honderdduizenden hectaren landbouwgrond, met schade van miljoenen euro's, omstreden bestrijdingscampagnes en uitbraken van tularemie. In Nederland komt de soort in het hele land voor, van de kleipolders tot het rivierengebied en de zandgronden, en op de Waddeneilanden Ameland en Schiermonnikoog; het bekendste voorbeeld van een plaag daar is die in Friesland in de winter van 2014 op 2015, toen tienduizenden hectaren grasland werden kaalgevreten en de schade in de tientallen miljoenen liep, gevolgd door een even sterke ineenstorting in het voorjaar erna. In België is zij algemeen in het open cultuurland en schaars in besloten landschap. Op de Britse Eilanden ontbreekt de veldmuis, met uitzondering van Orkney, waar zij sinds het neolithicum leeft; zij werd daar ongeveer vijfduizend jaar geleden door mensen ingevoerd en is in grote aantallen gevonden in de afvalhopen van Skara Brae. De Orkney-veldmuis is veel groter en donkerder dan dieren van het vasteland, komt voor op Mainland, Rousay, Westray, Sanday, Burray en South Ronaldsay, en is de hoofdprooi van de blauwe kiekendieven en velduilen van de eilanden. Een verwante ingevoerde vorm leeft op Guernsey. Elders op de Britse Eilanden vervult de aardmuis (Microtus agrestis) dezelfde rol; Britse en continentale beschrijvingen van muizenplagen gaan daarom over verschillende soorten.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
De veldmuis is rond de klok actief in korte perioden van twee tot drie uur, met een duidelijke nadruk op de dag; daardoor is zij overdag op dijken en bermen te zien en kunnen torenvalk en buizerd van haar leven. Zij is bijna geheel plantenetend: grassen, klaver, luzerne, granen, wortels en knollen, in de winter bast en wortelstokken. Zij leeft in kolonies in een stelsel van ondiepe gangen met nest- en voorraadkamers, waarin vrouwtjes een klein territorium verdedigen. De voortplanting bepaalt de populatiedynamiek: van maart tot oktober, en in zachte winters het hele jaar, volgen de worpen elkaar om de drie weken op, met drie tot acht jongen per worp, en jonge vrouwtjes zijn na twee weken al vruchtbaar. Daardoor kan een populatie in één zomer vertienvoudigen; dat is de oorzaak van de muizencycli van drie tot vier jaar, op de Spaanse Meseta drie tot vijf jaar, die doorwerken in het hele ecosysteem van het boerenland. De gemiddelde levensduur bedraagt enkele maanden; vrijwel geen veldmuis wordt een jaar oud. De soort houdt geen winterslaap en is onder de sneeuw het actiefst.
Waar en wanneer kijken
De wissels zijn gemakkelijker te vinden dan het dier: in een oud, kort weiland of op een dijk wordt het stelsel zichtbaar wanneer het gras opzij wordt geschoven. Maart is daarvoor het meest geschikt, omdat de winternesten en de geulen na de dooi dan nog open liggen. Het dier zelf is het best te zien door bij een jagende torenvalk of velduil stil te blijven staan en het gras onder de vogel af te zoeken. In een muizenjaar zijn veldmuizen op bermen en dijken overdag talrijk, staan buizerds langs de weg op de grond en verschijnen velduilen op plekken waar ze anders niet voorkomen. Braakballen die in de winter onder een roestplaats van een kerkuil worden verzameld, geven een betrouwbaarder beeld van de muizenstand van een gebied dan directe waarnemingen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2016) en een van de algemeenste zoogdieren van Europa, met een populatie van honderden miljoenen dieren. De schommelingen zijn groot, maar de soort is nergens in gevaar. In intensief gebruikt boerenland is de veldmuis een plaagdier: bij een piek vreet zij grasland kaal, ringt zij fruitbomen en beschadigt zij graan en luzerne. Op de noordelijke Meseta in Spanje is zij de belangrijkste landbouwplaag. De bestrijding met gifkorrels, vooral op basis van bloedverdunners, en het afbranden van akkerranden doden de roofvogels en zoogdieren die van de soort leven — kerkuilen, torenvalken, wouwen, wezels en vossen — en verlengen daardoor de plaag; in Spanje treft dat ook bedreigde soorten zoals de grauwe kiekendief en de kleine trap. Alternatieven zijn het beheer van waterpeil en bevloeiing, grondbewerking, bufferstroken van vegetatie en het plaatsen van zitpalen en nestkasten voor roofvogels. Op Orkney is de situatie anders: de daar in het neolithicum ingevoerde Orkney-veldmuis is een eigen vorm, de voedselbasis van blauwe kiekendief en velduil, en daarmee een beschermenswaardig onderdeel van het eilandecosysteem.
Wetenschappelijke naam
Microtus arvalis | (Pallas, 1779)
Pallas beschreef de soort in 1779 als Mus arvalis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Microtus is Grieks, van mikros 'klein' en ous, genitief ōtos, 'oor', naar de kleine oren die in de vacht wegvallen. arvalis is Latijn voor 'van de akker', bij arvum 'bouwland'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Rusland, St. Petersburg.




