Alle soorten › Insecteneters › Egels › Abessijnse egel

Abessijnse egel | Paraechinus aethiopicus

Desert hedgehog | Paraechinus aethiopicus

De Abessijnse egel is een egel van de Sahara en de woestijnen van het Midden-Oosten. In het noorden van zijn areaal komt hij voor in Noord-Afrika, de Negev en de Jordaanvallei. Hij is te herkennen aan een donker masker rond snuit en ogen onder een witte voorhoofdsband.

Abessijnse egel (Paraechinus aethiopicus)
Foto: Karim Haddad — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

In woestijnzand is het spoor van deze soort duidelijker dan dat van andere egels. De prent toont vijf tenen met scherpe, ver vooruitstekende nagelindrukken; door de lange poten staan de prenten ver uit elkaar en loopt het spoor in een regelmatige lijn die soms honderden meters te volgen is, tot de plek waar het dier is gaan graven. De keutel is klein voor een egel, twee tot vier centimeter, cilindrisch, zwart en glanzend, en bevat veel kevergruis; in de woestijn zitten er ook segmenten en de staartstekel van schorpioenen in, en soms haren of schubben van kleine gewervelden. Hij ligt onbedekt op zand, op een pad of bij de holingang. Het hol wordt het hele jaar door gebruikt en ligt meestal onder een struik, aan de voet van een rots of in de losse grond van een wadi, met een uitgeschoven zandwaaier en een uitgesleten looppad. Rond de ingang liggen bij langer gebruik keutels en prooiresten. In oases en aan tuinranden staan kegelvormige snuitputjes in het zachte zand. De soort zonnebaadt; een egel die in het vroege ochtendlicht roerloos bij een steen ligt, is daardoor niet noodzakelijk ziek.

De kop van dichtbij

Abessijnse egel, kop van dichtbij op woestijnzand in israël: het grijszwarte masker loopt van de neus tot achter het oog, met daarboven en daarnaast de witte band; het grote donkere oor staat los van het stekelkleed
Kop van dichtbij op woestijnzand in Israël: het grijszwarte masker loopt van de neus tot achter het oog, met daarboven en daarnaast de witte band; het grote donkere oor staat los van het stekelkleed · Foto: Chen Ein-Dor — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een kleine egel van dertien tot vierentwintig centimeter en tweehonderdvijfentachtig tot zevenhonderd gram, met lange poten en een korte staart van een tot drie centimeter. Het belangrijkste kenmerk is de gezichtstekening: over het voorhoofd loopt een brede witte band van wang tot wang, en daaronder ligt een grijszwart masker rond snuit en ogen, een tekening die geen andere egel in dit gebied heeft. De oren zijn groot en donker, drieëntwintig tot achtenvijftig millimeter, en steken duidelijk boven de stekels uit. De stekels zijn wit aan de basis, dragen twee zwarte banden met daartussen wit, en eindigen wit; het stekelkleed is daardoor licht en fijn gespikkeld. De buik is dun behaard en overwegend wit, met plaatselijk bruine vlekken. Hij loopt hoog op de poten, haalt tot ongeveer tien kilometer per uur en rolt zich, anders dan de Europese egels, niet bij elke verstoring op.

Gelijkende soorten

De langooregel (Hemiechinus auritus) komt in Israël, Jordanië en Noordoost-Libië in hetzelfde gebied voor en is de soort waarmee verwarring het meest voor de hand ligt. Hij heeft eveneens lange poten en grote oren, maar zijn gezicht is egaal grijsbruin of zandkleurig, zonder masker en zonder witte voorhoofdsband, zijn oren zijn smaller en spitser, en zijn buik is zuiver wit. De Abessijnse egel is te herkennen aan het contrast tussen wit voorhoofd en donker masker. In de Maghreb komt ook de trekegel (Atelerix algirus) voor, een soort van vochtiger mediterraan struikgewas en cultuurland, met een bleek, wit voorhoofd en bleke wangen zonder masker en een kale scheiding midden op de kruin; hij is bovendien forser en zwaarder. In de Levant komt daar Erinaceus concolor bij, die veel groter en donkerder is, met kleine oren en een donkere buik, en die in akkers en tuinen leeft. De gezichtstekening is in dit gebied het beslissende kenmerk: masker met witte voorhoofdsband is deze soort; egaal gezicht met zeer lange oren is de langooregel; bleek gezicht met kruinscheiding is de trekegel; groot, donker en kleinorig is Erinaceus.

Leefgebied

Droog en open terrein: stenige vlakten, droge steppe, woestijnstruweel en bergwoestijn, en daarbinnen vooral de plekken met meer water en dekking: oases, wadi's met struiken en begroeide valleien. Anders dan de langooregel kan hij in zeer droog gebied leven, en hij is in de hele Sahara aangetroffen. Klimaatmodellen tonen dat vrijwel de hele woestijn geschikt klimaat voor hem heeft en dat ook tijdens het laatste ijstijdmaximum had; dat verklaart waarom zijn erfelijk materiaal over het hele gebied nauwelijks in groepen uiteenvalt. Hij komt in dorpen en tuinen waar water wordt gegeven, en op eilanden als Djerba is hij algemeen.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

De Sahara en de woestijnen van het Midden-Oosten: van Mauritanië oostwaarts door Marokko, Algerije, Tunesië, Libië en Egypte tot Soedan, Eritrea en Ethiopië, en verder over het Arabisch Schiereiland tot Irak en Iran, met eilandpopulaties op Djerba, Bahrein en Tunb. De soort wordt als monotypisch beschouwd: het DNA toont over het hele gebied geen duidelijke geografische structuur, en de vroeger onderscheiden ondersoorten worden niet meer erkend. In het noorden van het areaal komt hij voor in de Negev en de Jordaanvallei, waar de meeste waarnemingen vandaan komen, en in Marokko ten zuiden van de Hoge Atlas en de Anti-Atlas, in Algerije noordwaarts tot de Sahara-Atlas en de streek rond M'Sila, in Zuid-Tunesië en langs de kust van Libië en Egypte. In Europa komt de soort niet voor.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Nachtactief, solitair en plaatstrouw: hij gebruikt het hele jaar hetzelfde hol en brengt daar de warme uren van de dag door. Vooral insecteneter, met een breed voedselpakket: kevers, mieren en andere ongewervelden, schorpioenen, spinnen en slakken, en daarnaast kikkers, hagedissen, slangen, vogeleieren en aas. Voor een egel is de voortplanting snel en frequent: er zijn tot vier worpen per jaar vastgesteld, met pieken in februari-maart en in juni. Na een draagtijd van vierendertig tot zesenveertig dagen worden twee tot zeven jongen van zes tot negen gram geboren; na zestig dagen wegen ze ongeveer honderdvijftig gram, en ze worden tussen veertig en achtenvijftig dagen gespeend. Dieren worden zes tot tien jaar oud. De overwintering verschilt per streek: in de warmste delen van het areaal blijft hij vrijwel het hele jaar actief, maar waar de winters koud zijn, in het bergland van de Maghreb en op de Levantijnse hoogvlakte, gaat hij dagen tot weken achtereen in torpor. Een maandenlange winterslaap zoals bij de gewone egel is van deze soort niet bekend; de overwintering wordt daarom als winterrust aangemerkt en niet als winterslaap. Hij zonnebaadt om op te warmen.

Waar en wanneer kijken

Rijd in de Negev of de Jordaanvallei in de eerste nachturen langzaam over onverharde wegen en let op de bermen: de soort loopt in de open zandvlakte tussen de struiken en steekt geregeld de weg over. Februari tot april is de beste periode, omdat dan een van de twee voortplantingspieken valt en de nachten nog niet te warm zijn. In Noord-Afrika werkt dezelfde methode in oases en langs de randen van geïrrigeerde velden. Zoek overdag naar het hol onder een struik en wacht daar na zonsondergang; de soort gebruikt het hele jaar dezelfde ingang, zodat een bekend hol een grote kans op een waarneming geeft. Gebruik een zaklamp met rood filter. De egel rolt zich zelden op en rent eerder weg. Fotografeer het gezicht zo mogelijk recht van voren; het masker is het determinatiekenmerk en maakt de waarneming controleerbaar.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (LC, 2016), met een groot areaal en een vermoedelijk grote populatie. De beoordelaars noemen de voortschrijdende verwoestijning als risico: die versnippert de plekken met struiken en water waarvan de soort afhankelijk is en isoleert populaties van elkaar. In Algerije wordt de soort bejaagd; in Somaliland beschermen culturele opvattingen haar. Nergens in het areaal worden systematische tellingen gedaan; de beoordeling berust daardoor vooral op het ontbreken van meldingen van achteruitgang. Genetisch onderzoek toont dat de soort over de hele Sahara één geheel vormt, dat het klimaat ook in de ijstijd over vrijwel de hele woestijn geschikt was, en dat de vroeger onderscheiden ondersoorten geen basis hebben. Egels uit de Negev en uit Zuid-Marokko behoren daarmee tot dezelfde soort zonder ondersoortonderscheid.

Wetenschappelijke naam

Paraechinus aethiopicus | (Hemprich & Ehrenberg in Ehrenberg, 1833)

Hemprich & Ehrenberg in Ehrenberg beschreef de soort in 1833 als Erinaceus aethiopicus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Paraechinus is Grieks, van para 'naast, bij' en echinos 'egel': het geslacht naast de egels. aethiopicus betekent 'Ethiopisch', bij het Griekse Aithiops, meestal gelezen als 'met verbrand gezicht'; de ouden bedoelden er Afrika bezuiden Egypte mee, en het typemateriaal komt uit Soedan. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Soedan.