Alle soorten › Vleermuizen › Hoefijzerneuzen › Blasius' hoefijzerneus

Blasius' hoefijzerneus | Rhinolophus blasii

Blasius's Horseshoe Bat | Rhinolophus blasii

Blasius' hoefijzerneus is een middelgrote hoefijzerneus met een groot, onderbroken areaal: Zuidoost-Europa, Noordwest-Afrika en Zuidwest-Azië, en daarnaast Oost- en zuidelijk Afrika. Wilhelm Peters beschreef de soort in 1866 en vernoemde haar naar de Duitse zoöloog Johann Heinrich Blasius. In Europa is ze volgens het Handbook of the Mammals of the World een van de zeldzaamste hoefijzerneuzen; ze is verdwenen uit Noordoost-Italië en in Slovenië al vijftig jaar niet meer vastgesteld.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

In grotten en ondergrondse ruimten hangt de soort vrij van het plafond, meestal in groepen van 20 tot 40 dieren, soms met drie of vier of alleen, en in Bulgarije en Griekenland in gemengde kolonies met andere hoefijzerneuzen tot 2000 dieren. Ze deelt verblijven met hoefijzerneuzen, grootoorvleermuizen, Myotis-soorten en de langvleugelvleermuis. Om te drinken scheren de dieren over het wateroppervlak, of landen ze en likken water op; ze kunnen van de grond opstijgen. Op de batdetector klinkt een lange toon met constante frequentie rond 94 kHz; in Griekenland duren de roepen gemiddeld 44 milliseconden, met een interval van gemiddeld 71,8 milliseconden.

Herkenning

Middelgroot, met een onderarm van 41 tot 51 mm en een gewicht van 7 tot 15 g. De rug is lichtbruin tot geelbruin (haren met crèmekleurige basis en donkere punt), de buik grijsachtig, wit of crème. De nek is iets lichter en kan als een lichte band zichtbaar zijn. De zijkanten van het gezicht zijn geelachtig wit, met een donkerbruine vlek onder elk oog. De oren zijn doorschijnend licht- tot donkerbruin, middelgroot en zonder tragus. Het neusblad: een min of meer driehoekige lancet met iets holle zijden en afgeronde punt; een goed ontwikkeld verbindingsstuk dat oprijst tot een hoge, smalle, spitse hoorn; een wigvormig zadel waarvan de zijden naar boven toe samenlopen, met een smalle, naar voren gekantelde top; een smal hoefijzer van 7,2 tot 9 mm dat de snuit niet geheel bedekt. De vlucht is wendbaar: de dieren kunnen plots keren door te hellen, af te remmen en te draaien, en kort stilhangen. De echolocatie is FM/CF/FM met een constante frequentie van 85 tot 98 kHz over het hele areaal en gemiddeld 94 kHz in Europa en het Midden-Oosten. Vrouwtjes roepen hoger dan mannetjes, jonge dieren lager dan volwassen.

Gelijkende soorten

Met gemiddeld 94 kHz roept Blasius' hoefijzerneus tussen de grote hoefijzerneus (Rhinolophus ferrumequinum, rond 82 kHz, onderarm 51–61 mm) en de paarse hoefijzerneus (R. euryale, 100–109 kHz) in. De paarse hoefijzerneus is even groot, maar heeft een smal, naar voren gebogen verbindingsstuk dat minder hoog oprijst, en een zadel met bijna evenwijdige zijden en brede top. Mehely's hoefijzerneus (R. mehelyi, onderarm 48–56 mm, 104–112 kHz) heeft een witte buik, een donkere vlek rond elk oog, een driehoekig verbindingsstuk en een zadel met evenwijdige zijden. De kleine hoefijzerneus (R. hipposideros) is kleiner (onderarm 35–42,5 mm), heeft een laag, afgerond verbindingsstuk en roept rond 110 kHz. In de Levant komt ook R. clivosus voor, met een roep rond 85 kHz in Israël en een afgerond, verheven verbindingsstuk. Aan een dier in de hand zijn de zijaanzichten van zadel en verbindingsstuk het doorslaggevende kenmerk; in een donkere grot zijn ze zonder foto niet te beoordelen.

Leefgebied

Struweel, grasland en bos, in het droge deel van het areaal ook steen- en grindwoestijn, voor zover er water is. Rond de Middellandse Zee is de soort gevonden in hardbladig bos, submediterraan halfwoestijngrasland en struweel. In Europa is ze vaak gebonden aan kalksteen, dikwijls bij beken in begroeid terrein. De soort is sterk afhankelijk van water. Verblijfplaatsen zijn ondergronds: grotten, spleten tussen rotsblokken, mijnschachten, ondergrondse irrigatiegangen en andere ondergrondse bouwwerken, soms holle bomen; in gebouwen wordt ze zelden gevonden.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

De nominaatvorm leeft in Zuidoost-Europa van Kroatië oostwaarts tot West-Roemenië en Bulgarije en zuidwaarts tot Griekenland en Kreta, in Zuidwest-Azië (West-Anatolië, Cyprus, Syrië, Libanon, Israël, West-Jordanië, de Zuidelijke Kaukasus, West-Iran en Jemen en Oman) en in Noordwest-Afrika (Noord-Marokko, Noord-Algerije en Noord-Tunesië); Egypte en Georgië zijn niet bevestigd. Drie andere ondersoorten leven in de Hoorn van Afrika, in zuidoostelijk Afrika en van Oost-Iran tot Noord-Pakistan. Het handboek erkent vier ondersoorten en plaatst de soort op morfologische gronden in de landeri-groep, maar genetisch hoort ze vermoedelijk aan de basis van de capensis-groep. In Europa, Anatolië en Noord-Afrika liggen de zwaartepunten op de Balkan, in West-Anatolië en in de Maghreb.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Nachtactief; overdag hangt de soort vrij in het verblijf en gaat daar vaak in torpor. Ze jaagt langzaam vliegend, vanaf een zitplaats en door prooi van blad en bodem te pakken. Het voedsel bestaat in het grootste deel van het areaal vrijwel geheel uit nachtvlinders (uilen, spinners en spanners); de dieren horen het fladderen van een landende vlinder, landen erbij en stijgen er weer mee op. In Algerije bevatte het voedsel daarentegen vooral muggen, schietmotten en wantsen. De soort plant zich eenmaal per jaar voort; paring vindt waarschijnlijk vóór de winterslaap plaats, gevolgd door uitgestelde innesteling, en er wordt één jong geboren. In de zomer ontstaan kraamkolonies van 30 tot 400 dieren. Blasius' hoefijzerneus trekt niet. In winterslaap gaat ze in Europa meestal in november, wanneer de temperatuur onder 14 °C daalt; ook 's winters zijn actieve dieren waargenomen.

Waar en wanneer kijken

In Europa is de kans het grootst in karstgebieden op de Balkan, in Bulgarije en Griekenland, bij grotten met gemengde hoefijzerneuskolonies. Een batdetector die de constante frequentie aangeeft, scheidt de soort met rond 94 kHz van de grote hoefijzerneus en van de middelgrote soorten boven 100 kHz. Voor een dier dat in een grot hangt, is een foto van het neusblad in zijaanzicht nodig. Het betreden van kraam- en wintergrotten verstoort de kolonies en is in de meeste landen niet toegestaan.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (LC, 2016): over het hele areaal geldt de soort als tamelijk algemeen. In Europa nemen de populaties af, vooral rond de Middellandse Zee; op de oostelijke Balkan lijken ze stabiel. In Noordoost-Italië is de soort verdwenen, en uit Slovenië zijn in de afgelopen vijftig jaar geen waarnemingen bekend. Genoemde bedreigingen zijn verstoring van kolonies en vernietiging van leefgebied en verblijfplaatsen. De soort staat in bijlage II en IV van de Habitatrichtlijn.

Wetenschappelijke naam

Rhinolophus blasii | W. C. H. Peters, 1866

W. C. H. Peters beschreef de soort in 1866 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Rhinolophus is Grieks, van rhis, genitief rhinos, 'neus', en lophos 'kam', naar het neusblad. blasii eert de Duitse zoöloog Johann Heinrich Blasius (1809–1870), hoogleraar te Braunschweig en schrijver van de Naturgeschichte der Säugethiere Deutschlands. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Italië.