Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Bosvleermuis

Bosvleermuis | Nyctalus leisleri

Leisler's bat | Nóctulo Pequeño

De bosvleermuis is de kleinste van de drie Nyctalus-soorten van het gidsgebied: onderarm 35 tot 46 mm, gewicht 8 tot 20 gram. Kuhl beschreef haar in 1817 als Vespertilio leisleri uit Hanau in Hessen. Zij verblijft vooral in boomholten en jaagt snel boven en langs de boomkruinen en boven rivierdalen. De populaties in Midden- en Oost-Europa trekken over honderden tot meer dan duizend kilometer; de langste bekende verplaatsing is 1567 km, van een vrouwtje van Duitsland naar Spanje.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

Kraamverblijven liggen vooral in boomholten, vaak rotholten die door beschadiging of vervorming van de boom zijn ontstaan, in eik, es, beuk, grove den en fijnspar; daarnaast in rotsspleten, gebouwen en vleermuiskasten. 's Nachts rusten de dieren tussen twee jachtperioden in tijdelijke nachtverblijven, vaak in gebouwen. In de paartijd zijn de mannetjes territoriaal en houden zij een paarverblijf met een harem van tot negen vrouwtjes. Winterverblijven liggen vooral in boomholten, soms in vleermuiskasten, achter houten betimmering, in tunnels of in holen van dieren. Bij het uitvliegen zijn de dieren aan de opening van een boomholte te tellen.

Herkenning

Een middelgrote vleermuis met smalle, spitse vleugels en een goudbruine rugvacht waarvan de haren aan de basis donkerbruin zijn en naar de punt goudbruin worden; de buik is lichter, geelachtig, met zwartbruine haren met een bruine punt. Gezicht, oren en vlieghuiden zijn donkerbruin. De snuit is kort, met grote klieren tussen neusgaten en ogen. De oren zijn kort en driehoekig met vier tot vijf plooien aan de buitenrand, en de tragus is heel kort en paddenstoelvormig, zoals bij de andere Nyctalus-soorten. De vleugels hechten aan de enkel; de staart steekt enkele millimeters buiten de staartvlieghuid uit. De zoekroepen zijn van twee typen: een vrijwel constant type (QCF) met een beginfrequentie van 22 tot 26 kHz en een duur van 15 tot 25 ms, en een licht frequentiegemoduleerd type dat van 26 tot 30 kHz naar 25 tot 26 kHz zakt, met de piek bij 25 tot 26 kHz en een duur van 7 tot 15 ms. In Groot-Brittannië ligt de piek gemiddeld rond 29 kHz.

Gelijkende soorten

De rosse vleermuis (Nyctalus noctula) is groter (onderarm 47 tot 60 mm) en heeft eenkleurige roodbruine haren, zonder donkere basis; een onderarm onder 47 mm wijst op de bosvleermuis. De grote rosse vleermuis (N. lasiopterus, onderarm 59 tot 70 mm) is veel groter. De tweekleurige vleermuis (Vespertilio murinus, onderarm 41 tot 50 mm) heeft eenzelfde korte, brede tragus en een vergelijkbare vlucht, maar een donkere rug met zilverwitte haarpunten en een scherp afgetekende witte buik. De laatvlieger (Cnephaeus serotinus) heeft bredere vleugels en een tragere vlucht. Op de batdetector overlappen de roepen sterk met die van laatvlieger en rosse vleermuis, en ook met die van tweekleurige vleermuis en noordse vleermuis; zonder analyse van de opname blijft een deel van de waarnemingen bij de groep. Op de Azoren leeft de nauw verwante Nyctalus azoreum, die genetisch weinig verschilt maar morfologisch en ecologisch afwijkt.

Leefgebied

Loof- en naaldbos van gematigde streken, landbouwgebied en rivierdalen. De soort jaagt boven en langs de boomkruinen, langs opgaande begroeiing en boven rivierdalen en ander open terrein. In Noord-Afrika leeft zij vooral in eikenbos en in jeneverbes-cipressenbos op 400 tot 900 m hoogte. Over het hele areaal is zij gevonden van zeeniveau tot ongeveer 2400 m. Het gemiddelde jachtgebied meet ongeveer 7,4 km², in Zuid-Engeland tot ongeveer 18,4 km².

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Van Ierland, Groot-Brittannië en het Iberisch Schiereiland oostwaarts tot Zuidwest-Rusland, de Kaukasus, Turkije en Noord-Iran, met een geïsoleerde populatie in Zuid-Zweden; verder op Corsica, Cyprus, West- en Noord-Kreta (mogelijk trekkende dwaalgasten), Tenerife en La Palma op de Canarische Eilanden, in Noord-Marokko en Noord-Algerije, met één melding uit Noordoost-Libië. Buiten het gidsgebied leeft de soort in Noordoost-Afghanistan, Noord-Pakistan en Noordwest-India. Op Madeira leeft de ondersoort N. l. verrucosus, die soms als aparte soort is behandeld. Een melding van Rhodos betreft waarschijnlijk een dwaalgast van het vasteland. Ierland heeft grote kolonies, tot ongeveer 1000 dieren.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Nachtactief. De bosvleermuis vliegt vroeg uit, soms al kort voor zonsondergang, jaagt in twee perioden, na de schemering en voor de dageraad, en keert ongeveer een half uur voor zonsopgang terug. Zij is een snelle luchtjager op middelgrote vliegende insecten, vooral nachtvlinders en muggen, daarnaast schietmotten, netvleugeligen, kevers, eendagsvliegen en vliesvleugeligen. Kraamkolonies tellen meestal 10 tot 50 vrouwtjes met hun jongen; mannetjes en onvolwassen dieren verblijven alleen of in kleine groepen. De paring valt eind augustus en in september, de bevruchting is uitgesteld tot na de winterslaap. De jongen worden in juni en juli geboren, een of twee per worp, meestal twee; de eerste vliegvlugge jongen verschijnen in juli, in Marokko al in juni. De winterslaap eindigt in maart of april; in Marokko is hij korter. De populaties van Midden- en Oost-Europa zijn trekkend: in Duitsland geringde dieren trokken vooral naar het zuidwesten, en de trek valt in het voorjaar (maart tot mei) en in de nazomer en vroege herfst (augustus tot begin oktober). Eilandpopulaties en zuidelijke populaties zijn meestal standvogels, al zijn verplaatsingen binnen en tussen Ierland en Groot-Brittannië bekend. De hoogste bekende leeftijd is negen jaar. Rovers zijn onder meer slechtvalk, boomvalk en torenvalk.

Waar en wanneer kijken

Een batdetector op 25 tot 30 kHz vangt de roepen op; zij klinken als die van de rosse vleermuis, maar voor een zekere determinatie is een opname met analyse nodig. De kans op een waarneming is het grootst in de vroege schemering langs bosranden, boven rivierdalen en boven open plekken in oud loofbos, waar de dieren snel en hoog jagen. In Ierland is de soort algemeen. Een verblijf in een boomholte is bij het uitvliegen te tellen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2016). De soort is in delen van het areaal wijdverbreid en algemeen, vooral in Ierland, maar geldt in veel streken als zeldzaam; in delen van centraal Europees Rusland is zij lokaal uitgestorven. Het handboek noemt als bedreigingen het vernietigen van verblijven in bomen en gebouwen en het verlies van leefgebied. In Italië is gezien dat een ingevoerde halsbandparkiet een rustende bosvleermuis doodde. De bosvleermuis staat, zoals alle vleermuizen in de Europese Unie, in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en valt onder het EUROBATS-verdrag.

Wetenschappelijke naam

Nyctalus leisleri | (Kuhl, 1817)

Kuhl beschreef de soort in 1817 als Vespertilio Leisleri; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Nyctalus hoort bij het Griekse nyx, genitief nyktos, 'nacht'; Bowdich licht de naam niet toe, en op welk Grieks woord hij precies teruggrijpt staat niet vast. leisleri eert de Duitse arts en natuuronderzoeker Johann Philipp Achilles Leisler (1771–1813), die in Hanau werkte, waar ook Kuhl vandaan kwam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Duitsland, Hessen.