Alle soorten › Insecteneters › Spitsmuizen › Crocidura gueldenstaedtii

Crocidura gueldenstaedtii | Crocidura gueldenstaedtii

Güldenstädt's White-toothed Shrew | Crocidura gueldenstaedtii

Crocidura gueldenstaedtii is de witsnuitspitsmuis van de Kaukasus, Anatolië en de Levant. Crocidura fimbriata, C. iculisma en C. cypria werden tot voor kort alle drie onder deze naam gerekend, en deze naam viel op zijn beurt onder de tuinspitsmuis. In de huidige opvatting is het een grote, langstaartige soort, die in de moerassige laagvlakte van Colchis, aan de oostkust van de Zwarte Zee, de talrijkste kleine zoogdiersoort is.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

Van deze soort zijn twee kenmerkende aanwijzingen bekend, beide boven de grond. Het nest ligt op de grond in een hoge, dichte graspol, is bekleed met droog gras, fijne haren en ander zacht materiaal, en is gemakkelijk voor een vogelnest aan te zien; in de mesofiele biotopen van Colchis is dat de gewone nestvorm, en of de soort zulke nesten elders in het areaal bouwt, is niet bekend. De tweede aanwijzing is gedrag: karavaangedrag, waarbij elk jong zich met de tanden vastbijt in de staartbasis of het achterlijf van het jong ervoor en het eerste zich vasthoudt aan de moeder. Voor deze soort is dit uitdrukkelijk beschreven: een rij van vijf spitsmuizen die achter elkaar door een tuin liep. Verder de gewone sporen van het geslacht: keutels van twee tot vier millimeter, donker, spits en glanzend door chitine, onder stenen en planken; gangetjes van een halve tot anderhalve centimeter breed door het strooisel; prenten van nauwelijks een centimeter in zeer fijn slib; en hoge, schelle, snel herhaalde piepjes. Voor verspreidingsgegevens zijn braakballen van kerkuil en steenuil de belangrijkste bron.

Herkenning

De grootste soort van de suaveolens-groep, maar licht gebouwd. De rug is rookgrijs, bruingrijs of bruin, de buik lichtgrijs, en de overgang is onduidelijk, zonder de scheidingslijn van de veldspitsmuis. De tanden zijn zuiver wit, de snuit is lang en beweeglijk, de oren steken boven de vacht uit en de staart heeft tussen het korte haar de lange, afstaande tastharen van het geslacht. De staart is lang, 65 tot 90 procent van de kop-romplengte, en vaker egaal dan tweekleurig; dat is het bruikbaarste uiterlijke kenmerk van de soort. Kop-romplengte 7,7 tot 8,6 cm bij volwassen dieren en 5,5 tot 7,4 cm bij halfwas dieren, staart 4,1 tot 5,6 cm, gewicht 8,5 tot 13,3 gram, halfwas 6,3 tot 8 gram en drachtige vrouwtjes tot 17,5 gram. Een jong dier van deze soort valt daarmee volledig binnen het maatbereik van de tuinspitsmuis. Het karyotype is doorgaans 2n = 40 met FN = 50, met B-chromosomen die het aantal kunnen verhogen.

Gelijkende soorten

Of de soort te onderscheiden is, hangt af van de regio. In de Kaukasus is hij van de tuinspitsmuis (Crocidura suaveolens) te onderscheiden: hij is duidelijk groter en de staart meet twee derde tot negen tiende van de kop-romplengte, terwijl die van de tuinspitsmuis zelden de helft bereikt. Dat geldt echter voor volwassen dieren en voor reeksen; een halfwas exemplaar is niet op naam te brengen. Van de veldspitsmuis (Crocidura leucodon), die in Turkije en de Kaukasus naast hem leeft, is hij eenvoudig te onderscheiden: de veldspitsmuis heeft een scherpe grens tussen donkere rug en witte buik, deze soort nooit. Ten westen van de Kaukasus is uiterlijk onderscheid niet meer mogelijk. Waar het areaal grenst aan dat van Crocidura fimbriata (de Balkan, Griekenland) is er geen uiterlijk kenmerk meer, en op Kreta, Corsica en Menorca, waar de dieren tot deze soort worden gerekend, evenmin. Daar berust de determinatie op vindplaats en DNA. Ook de genetische indeling is niet afgerond: binnen deze soort zijn zes mitochondriale vormen te onderscheiden, waarvan twee zonder naam, en de Israëlische vorm portali is mogelijk een aparte soort. Van een witgetande spitsmuis in Anatolië of de Levant kan in de hand alleen het geslacht worden genoteerd.

Leefgebied

Struweel met een goed ontwikkelde, niet kaalgegraasde grasmat. Bij zware begrazing verdwijnt de soort; in het Middellandse-Zeegebied en de Kaukasus komt hij daardoor vooral voor op onbegraasde of extensief gebruikte plekken. In droge streken is hij gebonden aan water: oevers van rivieren, beken en meren, en geïrrigeerd boerenland, waar het hele jaar voldoende vocht en insecten zijn. De soort komt voor in kleine nederzettingen en dringt geregeld huizen binnen. De hoogste dichtheden worden bereikt in de laagvlakte van Colchis in Georgië, een warme, natte, subtropische kuststrook waar hij de talrijkste kleine zoogdiersoort is; in droge en beboste streken is hij zeldzaam.

Verspreiding

Van de westelijke Kaukasus in Zuid-Rusland door Georgië, Armenië en Azerbeidzjan naar Turkije en West-Iran, en zuidwaarts door Syrië, Irak, Libanon, Israël en Jordanië tot de Sinaï in Egypte. Daarnaast worden de dieren van enkele eilanden in de Middellandse Zee tot deze soort gerekend: Kreta, Corsica en Menorca. Deze eilanden liggen ver buiten het aaneengesloten areaal; de eilandpopulaties zijn in het Holoceen, zes- tot achtduizend jaar geleden, door de mens vanuit het Midden-Oosten aangevoerd, met de eerste landbouwers en later met zeevaarders. Daarin verschilt deze soort van Crocidura cypria van Cyprus, die tot voor kort als ondersoort onder deze naam stond en een ijstijdrelict is, anderhalf miljoen jaar geïsoleerd. Alle oudere meldingen uit dit gebied onder Crocidura suaveolens horen bij deze soort, en de namen balearica (Menorca), cyrnensis en corsicana (Corsica), ariadne en caneae (Kreta), portali (Israël) en monacha zijn synoniemen. De spitsmuis van Menorca, ooit beschreven als Crocidura balearica, wordt daarmee tot deze soort gerekend en niet tot de soorten van het Iberisch Schiereiland.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Het hele etmaal in korte perioden actief, met pieken in de nacht en de schemering; in die uren zijn ook de vangsten het hoogst. Het voedsel bestaat uit insecten en hun larven, slakken, pissebedden en duizendpoten, aangevuld met plantaardig materiaal; dieren in huizen eten ook van voedselvoorraden, inclusief vlees en fruit, en er zijn gevallen bekend van het eten van kadavers van zoogdieren en vogels. De voortplanting loopt in Georgië van april tot oktober, en in het subtropische Colchis kan ze ook in de winter doorgaan. Er zijn één tot tien embryo's, gemiddeld vijfenhalf; in Turkije werden bij eenentwintig drachtige vrouwtjes twee tot zeven embryo's geteld, gemiddeld bijna vijf. In het voorjaar geboren dieren planten zich in hetzelfde jaar voort. Van vier overwinterde volwassen dieren die in september werden gevangen, waren alle vier vrouwtjes; dat wijst erop dat mannetjes aan het eind van het voortplantingsseizoen eerder sterven. Er is geen winterslaap. Het krimpen van de schedel dat bij de roodgetande spitsmuizen (Sorex) bekendstaat als het fenomeen van Dehnel, is bij witsnuitspitsmuizen niet vastgesteld; bij dit geslacht wordt energie bespaard door korte torpor en gedeelde nesten.

Waar en wanneer kijken

Het meest geschikte gebied is de Colchische laagvlakte langs de Georgische Zwarte-Zeekust, waar het de algemeenste kleine zoogdiersoort is. Een avondwandeling met een zaklamp langs een greppel, rietkraag of irrigatiesloot levert daar kansen op; het schelle gepiep van twee dieren in conflict is vaak eerder te horen dan de dieren te zien zijn. Elders in Anatolië en de Levant is geïrrigeerd boerenland de beste plek en zijn de zomermaanden het minst geschikt. Let in het voorjaar op karavanen: een moeder met een rij jongen is een van de beste kansen op een waarneming. Een witsnuitspitsmuis op Kreta, Corsica of Menorca behoort vrijwel zeker tot deze soort; een foto, een maat en een vindplaats van daar zijn waardevol, omdat er weinig gegevens worden vastgelegd. Voor zover bekend bestaat er geen foto met vrije licentie van deze soort; een scherpe opname van een levend dier, van opzij en met de staart zichtbaar, is daarom waardevol.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2023). In grote delen van het areaal is de soort echter zeldzaam, vooral in droge en beboste streken; alleen in de Colchische laagvlakte is ze talrijk en daar domineert ze de kleine-zoogdiergemeenschap. De belangrijkste factoren zijn begrazing, waarbij door kortgehouden grasmat de dekking en daarmee de soort verdwijnt, en water: in droge streken is de soort afhankelijk van oevers en irrigatie, en elk droger seizoen verkleint het geschikte leefgebied. De grootste onzekerheid betreft de taxonomische indeling. Binnen deze soort worden zes genetische vormen onderscheiden, waarvan er verscheidene mogelijk een eigen naam verdienen, en de Israëlische vorm portali wordt alleen bij gebrek aan kern-DNA-gegevens nog tot deze soort gerekend. Zolang dat niet is opgehelderd, heeft de beoordeling betrekking op een samengestelde groep populaties en zegt ze weinig over de populaties aan de randen, met name die van Kreta, Corsica en Menorca, die elk klein en geïsoleerd zijn en nooit zijn geteld.

Wetenschappelijke naam

Crocidura gueldenstaedtii | (Pallas, 1811) (GBIF: Crocidura suaveolens)

Pallas beschreef de soort in 1811 als Sorex Güldenstaedtii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Crocidura is Grieks, van krokys, genitief krokydos, 'wolvlok, pluis', en oura 'staart', naar de lange losse haren die tussen het korte staarthaar uitsteken. gueldenstaedtii eert Johann Anton Güldenstädt (1745–1781), de Baltisch-Duitse onderzoeker die in Russische dienst als eerste de Kaukasus stelselmatig beschreef; Pallas gaf zijn reisverslag na zijn dood uit. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Georgië.