Alle soorten › Insecteneters › Spitsmuizen › Crocidura iculisma
Crocidura iculisma | Crocidura iculisma
Iberian White-toothed Shrew | Crocidura iculisma
Crocidura iculisma is de witsnuitspitsmuis van de Atlantische rand van Europa: Noord- en West-Iberië, Zuidwest-Frankrijk, de Bretonse eilanden en de Scilly-eilanden, waar het de enige spitsmuis van deze groep in Britse wateren is. De soort is afgesplitst van de tuinspitsmuis en is genoemd naar Iculisma, de Romeinse naam van Angoulême; Mottaz beschreef haar in 1908 uit de Charente. De verspreiding is sterk bepaald door concurrentie met de huisspitsmuis, die de soort in grote delen van het areaal heeft teruggedrongen.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
De sporen zijn die van het geslacht, met één plaatselijke uitzondering. Op de Scilly-eilanden foerageert de soort op het strand, tussen aangespoelde wierbanken, en leeft daar vrijwel uitsluitend van vlokreeftjes; voor een Europese spitsmuis is dat een uitzonderlijke leefwijze, en de vraatplekken en gangetjes in het aanspoelsel zijn daar het beste spoor. Elders: keutels van twee tot vier millimeter, donker, spits en glanzend door chitine, onder een steen, plank of golfplaat; gangetjes van een halve tot anderhalve centimeter breed door de strooisellaag en onder de zode; een prent van nauwelijks een centimeter met vijf tenen, alleen zichtbaar in zeer fijn slib; en hoge, schelle, snel herhaalde piepjes. Braakballen van kerkuil en steenuil zijn de belangrijkste bron voor verspreidingsgegevens, met dezelfde beperking als bij de rest van deze groep: aan de resten is de soort binnen de suaveolens-groep niet te bepalen, en op het Iberisch Schiereiland is alleen met genetisch onderzoek of zorgvuldig onderzoek van de tandenrij vast te stellen welke van de twee kleine witgetande spitsmuizen in een braakbal zat.
Herkenning
Een kleine witsnuitspitsmuis met de kenmerken van het geslacht: zuiver witte tanden zonder roodbruine punten, een lange, spitse, voortdurend bewegende snuit, zeer kleine ogen, oren die boven de vacht uitsteken en een staart met lange, afstaande tastharen tussen het korte haar. De rug is bruin tot donker grijsbruin, de buik grijs, met een geleidelijke overgang zonder scheidingslijn. Volgens de Spaanse atlas verschilt hij van de huisspitsmuis door een naar verhouding langere staart en donkere oren, soms met een donkerdere snuit; dit zijn tendensen en geen determinatiekenmerken. Voor deze soort zijn geen eigen veldmaten gepubliceerd; de maatreeksen in de handboeken horen bij de tuinspitsmuis of bij Crocidura gueldenstaedtii in brede zin en niet bij deze dieren. Van de Scilly-populatie is bekend dat schedel- en tandmaten tussen die van de Kanaaleilanden liggen; dat is een aanwijzing, geen maatreeks.
Gelijkende soorten
Het belangrijkste determinatieprobleem is het onderscheid met de huisspitsmuis (Crocidura russula). De huisspitsmuis is gemiddeld groter en heeft een naar verhouding kortere staart, maar de reeksen overlappen, en bij één dier in de hand geeft dat geen uitsluitsel. De verspreiding geeft meer houvast: op het Iberisch Schiereiland sluiten de twee soorten elkaar grotendeels uit, en waar de huisspitsmuis algemeen is, ontbreekt deze soort. Uit vindplaats en landschap (bergbos en dicht struweel tegenover akkerland en dorpsranden) is daarom vaak af te leiden welke soort waarschijnlijk is, maar dat is een waarschijnlijkheid en geen determinatie. De veldspitsmuis (Crocidura leucodon) valt af op grond van de verspreiding: die komt ten zuiden van de Loire en op het Iberisch Schiereiland niet voor. De roodgetande spitsmuizen (Sorex) van Iberië zijn te onderscheiden aan de roodbruine tandpunten, de driekleurige vacht met een aparte flankband en de in de vacht liggende oren; de wimperspitsmuis (Suncus etruscus) is met twee gram duidelijk kleiner. Op de Scilly-eilanden is dit de enige spitsmuis. Buiten Scilly geldt wat voor de hele groep geldt: in het veld is determinatie tot Crocidura mogelijk, en verdere determinatie vereist onderzoek van tandenrij, schedel en DNA.
Leefgebied
De soort leeft in twee sterk verschillende milieus. In het noorden en midden van het Iberisch Schiereiland komt hij voor in bergachtig terrein met bos en dicht struweel en in kleinschalig cultuurlandschap (campiña): vochtige, koele, goed begroeide plekken met een dikke strooisellaag. Aan de Golf van Cádiz leeft hij daarentegen in schorren en kwelders, een milieu dat in Europa zelden voor een landspitsmuis wordt genoemd. Aan de Atlantische kust van Frankrijk en op de eilanden komen daar duinen en strand bij, tot in het aanspoelsel. Gemeenschappelijk is niet een vegetatietype, maar vocht en dekking het hele jaar door, en de afwezigheid van de huisspitsmuis.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Noord- en West-Iberië, Zuidwest- en West-Frankrijk, Noordwest-Italië, en de eilanden: Sark in de Kanaaleilanden en de Scilly-eilanden voor Cornwall, en daarnaast de Bretonse en Vendéese eilanden, waarvan de populaties elk een eigen naam kregen: Ouessant (uxantisi), Sein (enezsizunensis) en Île d'Yeu (oyaensis). De Scilly-dieren dragen de naam cassiteridum, naar de Cassiteriden, de tineilanden uit de klassieke aardrijkskunde; ze komen er sinds de bronstijd voor, en of ze zijn aangevoerd of op natuurlijke wijze zijn gekomen, is lang bediscussieerd; de recentste beoordeling beschouwt ze als inheems. Op het Iberisch Schiereiland is het areaal sterk versnipperd: oostelijk Cantabrië, het noordwesten van het schiereiland, de Serra de l'Albera, het Centraal Gebergte en de moerassen aan de Golf van Cádiz. Fylogeografisch onderzoek laat zien dat de huisspitsmuis deze soort op het Iberisch Schiereiland heeft teruggedrongen tot plekken waar de huisspitsmuis zelf minder goed gedijt. Ook op Jersey leeft een kleine witsnuitspitsmuis; of die dieren in de huidige indeling tot deze soort behoren, is niet uitdrukkelijk vastgelegd, maar gezien Sark en de Bretonse eilanden is dat waarschijnlijk. Vrijwel alle meldingen zijn gedaan onder de naam Crocidura suaveolens.
Levenswijze
Over de levenswijze van deze soort is weinig specifiek onderzocht; de Spaanse atlas vat het voedsel samen als ongewervelden, en overige gegevens gelden voor de kleine witsnuitspitsmuizen van de groep. Ze zijn het hele etmaal in korte perioden actief, met de nadruk op de nacht en de schemering, en kunnen niet lang zonder voedsel: dagelijks eet een dier ongeveer zijn eigen gewicht aan insecten, spinnen, pissebedden, duizendpoten, wormen en kleine slakken. Op Scilly bestaat het voedsel uit vlokreeftjes uit het aanspoelsel, en is de activiteit afgestemd op het getij in plaats van op de nacht. Er is geen winterslaap, omdat de dieren daarvoor te klein zijn; ze blijven in de winter actief. Het krimpen van de schedel dat bij de roodgetande spitsmuizen (Sorex) bekendstaat als het fenomeen van Dehnel, is bij witsnuitspitsmuizen niet vastgesteld; bij dit geslacht wordt energie bespaard door korte torpor en gedeelde nesten. Karavaangedrag van de jongen is bij verwante soorten gebruikelijk. Een Crocidura leeft zelden langer dan achttien maanden.
Waar en wanneer kijken
De Scilly-eilanden zijn de beste plek om deze soort te zien. Loop bij laag water over een strand met dikke wierbanken (Tresco, St Martin's, Bryher) en let op de randen van het aanspoelsel: de dieren foerageren daar overdag en zijn aan mensen gewend. Blijf stil zitten en wacht. Op het vasteland is de soort moeilijker te vinden; kansen bieden een vochtige bosrand of dicht struweel in Noord-Iberië na zonsondergang met een zaklamp, of een schorrand aan de Golf van Cádiz. Elders blijven braakballen de belangrijkste methode. Noteer altijd nauwkeurig de vindplaats: op het Iberisch Schiereiland is de vindplaats, in combinatie met de verspreiding van de huisspitsmuis, momenteel het belangrijkste determinatiegegeven.
Staat van instandhouding
Niet beoordeeld op de wereldlijst (NE), omdat de IUCN de brede soortopvatting volgt waarin deze dieren onder de tuinspitsmuis vallen. Er zijn wel nationale beoordelingen: in Spanje geldt de soort als niet bedreigd, in Portugal als bedreigd (EN, 2023), voor dezelfde soort aan weerszijden van dezelfde grens. De beperking in Iberië is deels biologisch: de soort is teruggedrongen door de huisspitsmuis en komt nu voor in bergranden, koele bosranden en schorren, kleine en van elkaar gescheiden gebieden. Daarnaast spelen het verdwijnen van vochtige struweelranden en strooiselrijke ondergroei, branden, ontwatering van kweldergebieden en op de eilanden katten. De Scilly-populatie leeft bovendien op enkele kleine eilanden en is volledig afhankelijk van de wierbanken op het strand; het opruimen van aanspoelsel verwijdert haar voedselbron. Eerst zijn basisgegevens nodig: maten, een verspreidingskaart die deze soort en de huisspitsmuis van elkaar scheidt, en een beoordeling onder de huidige naam.
Wetenschappelijke naam
Crocidura iculisma | Mottaz, 1908
Mottaz beschreef de soort in 1908 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Crocidura is Grieks, van krokys, genitief krokydos, 'wolvlok, pluis', en oura 'staart', naar de lange losse haren die tussen het korte staarthaar uitsteken. iculisma is Iculisma, de Gallo-Romeinse naam van Angoulême, de hoofdstad van de Charente, waar Mottaz het dier vandaan beschreef. Het staat als zelfstandig naamwoord onverbogen naast de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Frankrijk, Charente.






