Alle soorten › Insecteneters › Spitsmuizen › Veldspitsmuis

Veldspitsmuis | Crocidura leucodon

Bicolored Shrew | Musaraña Bicolor

De veldspitsmuis is de enige witgetande spitsmuis in Europa die op het uiterlijk betrouwbaar te benoemen is. Bij de andere soorten van het geslacht gaat de grijsbruine rugkleur geleidelijk over in de lichtere buik; de veldspitsmuis heeft op de flank een rechte, scherpe scheiding tussen de donkere bovenkant en de witte onderkant. Dat kenmerk is beslissend, zodat voor deze soort, anders dan voor de meeste verwanten, geen DNA-onderzoek nodig is.

Veldspitsmuis (Crocidura leucodon)
Foto: Dodoni — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Van een dier van acht gram zijn de sporen klein maar wel te vinden. De keutel meet twee tot vier millimeter, is donkergrijs tot zwart, spits aan beide uiteinden en glanst door fijngemalen insectenresten; hij ligt op een vaste plek in het gangetje, onder een plank, een steen of een golfplaat. De looppaadjes zijn een halve tot anderhalve centimeter breed en lopen door de strooisellaag, onder de zode en langs de voet van muurtjes en akkerranden; ze zijn smaller dan die van een woelmuis. Een prent van nauwelijks een centimeter, met vijf tenen aan voor- en achtervoet, is alleen in zeer fijn, vochtig slib te zien. De soort maakt hoge, schelle, snel herhaalde piepjes bij conflicten en bij het foerageren. De belangrijkste bron voor deze soort is de braakbal van kerkuil en steenuil. Vrijwel alle kennis over de verspreiding in Nederland komt uit braakbalonderzoek, en de bekende verspreiding valt daardoor grotendeels samen met de plaatsen waar kerkuilbraakballen worden verzameld. In de winter zoekt de veldspitsmuis hooibergen, schuren en takkenrillen op, en dan is een oude hooimijt een geschikte plek om keutels en gangetjes te zoeken.

De kop van dichtbij

Veldspitsmuis, in de hand: kop met lange beweeglijke snuit, minieme oogjes en een groot, vrijstaand oor, en daarachter de scherpe grens tussen donkere rug en witte buik die de soort draagt
In de hand: kop met lange beweeglijke snuit, minieme oogjes en een groot, vrijstaand oor, en daarachter de scherpe grens tussen donkere rug en witte buik die de soort draagt · Foto: Werner Korschinsky — Public domain · Wikimedia Commons

Herkenning

Een stevig gebouwde, middelgrote spitsmuis met de gewone kenmerken van het geslacht — zuiver witte tanden zonder roodbruine punten, een lange beweeglijke snuit, minieme oogjes, oren die duidelijk boven de vacht uitsteken en een staart met lange, afstaande trilharen tussen het korte haar. Onderscheidend is de tekening: de rug is grijsbruin tot donkerbruin bij volwassen dieren en lichtgrijs bij jonge, en die donkere mantel loopt niet door op de flank maar stopt in een scherpe lijn, waaronder buik en onderflank wit tot lichtgrijs zijn. De staart draagt dezelfde tweedeling, donker boven en licht onder. Bij jonge dieren van sommige ondersoorten is de flank grijzig en roodgetint en is de mantel minder duidelijk; dan blijft het formaat over. Kop-romplengte 5,9 tot 7,2 cm, staart 3,1 tot 4,1 cm en daarmee korter dan de helft van de kop-romplengte, gewicht 5,9 tot 11,1 gram.

Gelijkende soorten

De huisspitsmuis (Crocidura russula) is de soort waarmee hij in West- en Midden-Europa samen voorkomt, en die is ongeveer even groot maar heeft geen scheiding: haar rugkleur vervaagt geleidelijk over de flank in het grijswitte van de buik, zonder lijn. Naast elkaar is het verschil direct te zien; bekijk bij een enkel dier de flank loodrecht van opzij, omdat de lijn alleen in dat aanzicht te beoordelen is. De tuinspitsmuis en haar recente afsplitsingen, Crocidura fimbriata voorop, zijn kleiner en fijner gebouwd en hebben evenmin een grens; die afsplitsingen zijn onderling in het veld niet te scheiden, zodat een dier zonder scheidingslijn niet verder dan Crocidura te determineren is. De bosspitsmuizen (Sorex) hebben roodbruine tandpunten, in de vacht verscholen oren, een driekleurige vacht met een aparte flankband en een staart zonder afstaande trilharen. De wimperspitsmuis (Suncus etruscus) is met een paar gram onmiskenbaar kleiner. Bij een halfwas veldspitsmuis en bij een nat of vuil dier kan de lijn verdwijnen, en in de braakbal is het kenmerk er helemaal niet meer.

Leefgebied

De veldspitsmuis leeft in open, warm en droog terrein en niet in bos. Zij bewoont kruidenrijke steppe en droog tot matig vochtig grasland met een goed ontwikkelde, blijvende vegetatie, van akkerranden, dijken, bermen, ruigten, houtwallen en heggen, van steenhopen en rotsuitbloeiingen, en van tuinen, boomgaarden en erven. Hooibergen en takkenrillen worden vooral in de winter opgezocht. Natte terreinen en gesloten bos worden gemeden; in Turkije en Iran komt de soort wel voor in droog loofbos, en daar vooral op plekken waar de concurrerende Crocidura gueldenstaedtii ontbreekt. In de Alpen komt zij voor tot ongeveer duizend meter.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

De veldspitsmuis komt voor van Noordoost-Frankrijk en Nederland oostwaarts door Midden- en Zuidoost-Europa tot in West-Rusland, en verder over de Kaukasus, Turkije en de Levant tot Noord-Iran. Op de Balkan en in Italië is zij wijdverbreid; op het Iberisch Schiereiland, in het grootste deel van Frankrijk en op de Britse Eilanden ontbreekt zij. De Spaanse naam musaraña bicolor is in oudere literatuur toegepast op Iberische dieren die tot andere soorten behoren. In Nederland is de soort zeldzaam, met drie gescheiden kernen: Zeeuws-Vlaanderen, noordoost-Overijssel en zuidoost-Drenthe, telkens in kleinschalig zandig cultuurland, op dijken, langs akkers en in bermen. Braakbalreeksen over drie decennia wijzen op een lichte uitbreiding in het westen van Zeeuws-Vlaanderen, mogelijk bevorderd door zachtere winters; in het noordoosten is het beeld onduidelijk, deels omdat er minder braakballen worden verzameld. Zij is een van de twee witgetande spitsmuizen van Nederland; de andere is de huisspitsmuis.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

De veldspitsmuis is het hele etmaal actief in korte perioden, met duidelijke pieken in de schemering: kort na zonsondergang en kort voor zonsopgang. Overdag is de activiteit het laagst. Het menu bestaat uit kevers, larven van rouwvliegen, duizendpoten, slakjes en hooiwagens; de soort kan grotere kevers aan dan andere spitsmuizen van zijn formaat. Het nest is een bal van droog gras op de grond, in een dichte graspol of onder een struik. De voortplanting loopt van begin april tot eind september, met drie tot acht embryo's per worp en gemiddeld zes; dieren die in het voorjaar geboren zijn planten zich vaak nog in hetzelfde jaar voort. De dracht duurt ongeveer dertig dagen. De soort houdt geen winterslaap, waarvoor zij te klein is, en blijft de hele winter actief; het krimpen van schedel en hersenen dat bij de bosspitsmuizen (Sorex) als Dehnels fenomeen bekendstaat, is bij de witsnuitspitsmuizen niet vastgesteld. Dit geslacht bespaart energie op een andere manier: door in koude nachten in korte, ondiepe torpor te gaan en door met meerdere dieren in één nest te kruipen. Van de jongen is het karavaangedrag bekend: bij verstoring bijt elk jong zich vast in de vacht van het jong ervoor, en het eerste in die van de moeder. Een veldspitsmuis leeft zelden langer dan achttien maanden.

Waar en wanneer kijken

De soort wordt zelden lopend gezien; zij wordt meestal op andere manieren vastgesteld. De eerste is de braakbal: braakballen van kerkuilen binnen het verspreidingsgebied worden uitgeplozen, waarna de kaakjes met witte tanden apart worden gelegd. De tweede is de huiskat: een groot deel van de Nederlandse waarnemingen bestaat uit dieren die door een kat zijn binnengebracht; een foto van opzij, met de flank in beeld, maakt determinatie mogelijk. De derde is toeval: op een zomeravond langs een dijk of akkerrand zijn soms piepende dieren in de berm te horen en met een zaklamp over te zien steken. Heb je een dier in de hand, controleer dan de flanklijn en laat het direct los; spitsmuizen overleven geen uren zonder voedsel.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2021) over het hele verspreidingsgebied, maar de soort is vrijwel overal schaars. Zelfs in de gebieden met de hoogste dichtheden — de Krim, onder meer het schiereiland Kertsj, en zuidoostelijk Dagestan — is zij niet meer dan de vijfde soort in de kleinezoogdiergemeenschap en maakt zij minder dan vijf procent van de vangsten uit. Zij staat op de Rode Lijsten van Oekraïne en Moldavië, op die van de Russische regio Voronezj, en als kwetsbaar op de Nederlandse Rode Lijst. De soort wordt bedreigd door dezelfde factoren als het kleinschalige cultuurland: het verdwijnen van kruidenrijke bermen, dijken en akkerranden, het klepelen en jaarlijks volledig maaien daarvan, het opruimen van takkenrillen en steenhopen en het omzetten van blijvend grasland in bouwland. De soort wordt bovendien gemakkelijk over het hoofd gezien: zonder braakbalonderzoek blijft zij onopgemerkt, en waar geen kerkuil broedt, ontbreekt die informatiebron. Bescherming vraagt daarom zowel het behoud van ruige randen als voortgezet braakbalonderzoek.

Wetenschappelijke naam

Crocidura leucodon | (Hermann in E. A. W. von Zimmermann, 1780)

Hermann in E. A. W. von Zimmermann beschreef de soort in 1780 als Sorex (leucodon); omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Crocidura is Grieks, van krokys, genitief krokydos, 'wolvlok, pluis', en oura 'staart', naar de lange losse haren die tussen het korte staarthaar uitsteken. leucodon is Grieks voor 'wittand', van leukos 'wit' en odous 'tand', naar de ongepigmenteerde tanden die de witsnuitspitsmuizen van de rode Sorex-soorten onderscheiden. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Frankrijk, Bas Rhin.