Alle soorten › Knaagdieren › Muizen en ratten › Dikstaartmuis
Dikstaartmuis | Pachyuromys duprasi
Fat-tailed gerbil | Pachyuromys duprasi
De dikstaartmuis is een renmuis die vetreserves opslaat in zijn staart; die is kort, dik, roze en vrijwel kaal. Het is de enige soort van het geslacht Pachyuromys. De soort leeft op de kale hoogvlakten van de noordelijke Sahara en wijkt in lichaamsbouw sterk af van andere Noord-Afrikaanse knaagdieren.
Sporen
Het spoor ligt in zand en fijn gruis en is dat van een loper, niet van een springer. De prent is klein, voor- en achtervoet beide korter dan twee centimeter, en de prenten staan afwisselend links en rechts in een smalle lijn, zonder de paarsgewijze afdrukken van een springmuis. De achtervoet is kort en breed en geeft een volledige, brede afdruk in plaats van de lange, smalle afdruk van een Gerbillus. Op zachte grond loopt naast de prentenlijn vaak een ondiepe, doorlopende sleepstreep van de zware staart; dat is het betrouwbaarste onderscheid met andere renmuizen in hetzelfde terrein. Het hol is het opvallendste spoor: een stelsel in een zandhelling of in harde zandleem met drie tot twaalf ingangen, met gangen op slechts vijf tot dertig centimeter onder het oppervlak en een nestkamer tot ongeveer een meter diep, een zandwaaier voor elke ingang en overdag vaak een dichtgestopte ingang. Keutels zijn klein, donker en droog, tot vier millimeter, en liggen verspreid rond het hol in plaats van in een latrine. De vraatsporen zijn die van een zaadeter die ook insecten eet: uitgeknaagde pitten van kolokwint, lege zaadhuiden en harde delen van kevers en sprinkhanen bij de holingang.
In zijn leefgebied

De kop van dichtbij

Herkenning
Een korte, gedrongen, bijna ronde renmuis van negen tot twaalf centimeter, met korte poten en een staart van slechts vijf tot zes en een halve centimeter, ongeveer de helft van de kop-romplengte; alle andere renmuizen in dit gebied hebben een staart die langer is dan het lichaam. De staart is het belangrijkste kenmerk: dik, knotsvormig, roze en vrijwel kaal, en hij varieert met de seizoenen in omvang doordat er vet in wordt opgeslagen. De rug is zandgeel tot grijs, elk haar met een donkergrijze basis en een klein zwart puntje; de buik is zuiver wit. De ogen zijn groot, ovaal en zwart en staan hoog in de kop; de oren zijn klein voor een renmuis (12 tot 16 mm). De achtervoeten zijn kort en breed (22 tot 24 mm). Gewicht in het wild 22 tot 45 gram, in gevangenschap tot boven de tachtig gram. De schedel heeft een zeer grote hersenpan en sterk opgeblazen gehoorblazen, waardoor de kop breed en rond is.
Gelijkende soorten
Verwarring komt nauwelijks voor, door de kenmerkende staart. Alle renmuizen van het geslacht Gerbillus in hetzelfde landschap (de kleine Egyptische renmuis, Flowers renmuis, Gerbillus andersoni, Gerbillus dasyurus) zijn slank, hebben lange achterpoten en een dunne, behaarde staart die langer is dan het lichaam en in een pluimpje eindigt. Ze bewegen zich springend voort; de dikstaartmuis loopt met korte pasjes. De zandrat (Psammomys obesus) en de zandmuizen van het geslacht Meriones zijn groter en zwaarder gebouwd, maar hebben eveneens een lange, behaarde staart met een donkere eindpluim. De enige werkelijke verwarringsmogelijkheid is een Gerbillus die zijn staart heeft verloren: die heeft een staartstomp, maar die is dun en behaard en geen roze knots, en het dier is slanker en hoger op de poten. Dikstaartmuizen in gevangenschap zijn veel dikker dan wilde dieren; houd daar rekening mee als je terrariumfoto's met veldwaarnemingen vergelijkt.
Leefgebied
Kale, harde en droge gebieden: de hoogvlakten en hamada's van de noordelijke Sahara, stenige plateaus met nauwelijks begroeiing, vlakten van harde, samengepakte zandleem, puinhellingen en de randen van wadi's, met hier en daar een pol drinn-gras of een kolokwintplant. Voor het hol wordt een helling met vast zand of zandleem gekozen waarin een gang niet instort; los stuifzand wordt gemeden, en daarin verschilt de soort van de meeste Gerbillus-soorten in hetzelfde gebied. De soort komt ook voor in brede zoutdepressies en langs de rand van de droge steppe, zolang de bodem stevig is. Boven duizend meter en in begroeide gebieden ontbreekt hij.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
De droge gebieden van Noord-Afrika: Marokko en de Westelijke Sahara, Noord-Mauritanië, Algerije, Noord-Mali, Tunesië, Libië en Egypte, met de typelocatie in Laghouat op de Algerijnse hoogvlakte. Het noordelijke deel van het areaal omvat de Maghreb ten noorden van 29°N, de Libische woestijnrand en Noordwest-Egypte, waaronder Wadi Natrun, waarnaar een van de oude namen van de soort is genoemd. De soort komt in lage dichtheden voor over een zeer groot gebied en is nergens talrijk. Waarnemingen zijn schaars en ongelijk verdeeld, wat vooral samenhangt met de geringe waarnemersinspanning in dit gebied 's nachts.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Schemer- en nachtactief en altijd op de grond. De soort graaft een eigen, ondiep gangenstelsel en stopt de ingangen overdag dicht. Grotendeels zaadeter: pitten en vruchten van kolokwint en bilzekruid, groene sappige plantendelen, en daarnaast een aanzienlijk aandeel insecten; in het veld is de soort even vaak als insecteneter als als zaadeter beschreven, en het voedsel verschilt waarschijnlijk per seizoen. De dikstaartmuis drinkt niet en haalt vocht uit het voedsel. In de staart wordt vet opgeslagen: bij een goed voedselaanbod zwelt die op en in schrale perioden slinkt hij weer. Bij afkoeling gaat het dier dagenlang in torpor, met een sterk verlaagde stofwisseling. In de koudste weken van de Saharawinter houdt het daardoor een onderbroken winterrust, met perioden van foerageren, en geen echte winterslaap. De soort leeft solitair, soms in losse groepjes; dieren die op twee kilometer afstand werden losgelaten, vonden hun hol terug. De draagtijd is negentien tot eenentwintig dagen, met twee tot zes jongen, die na acht dagen de ogen openen en na drie weken gespeend zijn; na twee maanden zijn ze volwassen. In gevangenschap wordt de soort twee tot vier jaar oud.
Waar en wanneer kijken
Rijd na zonsondergang stapvoets over een vaste woestijnpiste op de Algerijnse of Tunesische hoogvlakte, of in Noordwest-Egypte, en zoek met de koplampen: in de eerste twee uur na het donker worden steken de dieren over, en het silhouet (klein, rond, kortstaartig, lopend in plaats van springend) is direct te onderscheiden van dat van springende renmuizen. Zoek overdag naar holstelsels op zandhellingen en tel de ingangen: drie tot twaalf bij elkaar met verse zandwaaiers wijzen niet op een Gerbillus. Zoek in het zand naar de doorlopende sleepstreep van de staart. De soort komt in lage dichtheden voor; vaak wordt niet meer dan één dier per nacht gezien.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2016). Het leefgebied (kale hamada en harde zandleemvlakten) wordt nauwelijks in cultuur gebracht, en de soort komt over een zeer groot gebied voor. Over de wilde populatie is echter weinig bekend: de meeste kennis over deze soort komt uit laboratoria en uit het houden in terraria, waar hij populair is als eenvoudig te houden knaagdier, en niet uit veldonderzoek. Over dichtheden, aantalsschommelingen en het effect van overbegrazing op de steppeplanten waarvan hij de zaden eet, is geen goed beeld. Er zijn geen aanwijzingen voor bedreiging, maar de kennis over wilde populaties is beperkt.
Wetenschappelijke naam
Pachyuromys duprasi | Lataste, 1880
Lataste beschreef de soort in 1880 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Pachyuromys is Grieks, van pachys 'dik', oura 'staart' en mys 'muis', naar de korte staart waarin het dier vet opslaat. duprasi eert een Dupras; Lataste licht de opdracht niet toe en wie erachter schuilgaat is niet vastgesteld. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Algerije, Laghouat.



