Alle soorten › Insecteneters › Spitsmuizen › Dwergspitsmuis
Dwergspitsmuis | Sorex minutus
Eurasian Pygmy Shrew | Musaraña Enana
De dwergspitsmuis is een van de kleinste zoogdieren van Europa: een volwassen dier weegt drie tot vijf gram. Hij leeft in bijna elk begroeid landschap met een dichte kruidlaag, van duinen en heide tot ruige graslanden, venen en houtwallen, van Ierland tot voorbij het Baikalmeer. Door zijn geringe gewicht moet hij vrijwel onafgebroken eten, en in de winter wordt hij zelfs kleiner. Hij is in de meeste streken algemeen, maar zelden de talrijkste spitsmuis.
Sporen
Er zijn geen sporen die alleen van de dwergspitsmuis zijn. Het dier gebruikt smalle paadjes en gangetjes onder de strooisellaag en in dichte grasmatten, vaak die van woelmuizen; keutels van enkele millimeters met glimmende insectenresten zijn niet van die van andere spitsmuizen te scheiden. Hoge, schelle piepjes vanuit het gras, vooral in zomer en najaar wanneer jonge dieren een eigen leefgebied zoeken, verraden spitsmuizen, maar niet de soort. De dwergspitsmuis wordt het meest vastgesteld in braakballen, vooral van de kerkuil: de schedeltjes en onderkaken met roodbruine tandpunten zijn herkenbaar en door hun geringe grootte van die van de bosspitsmuizen te onderscheiden.
Herkenning
Een zeer kleine Sorex met een naar verhouding grote kop, een fijne spitse snuit en een lange, dikke staart. De rug is zandbruin tot donkerbruin, de buik grijswit tot lichtgrijs, soms met een gelige zweem; de donkere rugkleur loopt ver op de flanken door en de grens met de buik is niet scherp, zodat de vacht tweekleurig oogt en niet driekleurig zoals bij de gewone bosspitsmuis. De staart haalt ongeveer 70 tot 80 procent van de kop-romplengte, is tweekleurig, aan de basis duidelijk ingesnoerd en bij jonge dieren dicht behaard met een pluimpje aan het eind, dat later afslijt. De tandpunten zijn roodbruin. Kop-romplengte 4,0 tot 6,4 cm, staart 3,3 tot 4,7 cm, achtervoet minder dan 12 mm, gewicht 2,5 tot 5,5 gram.
Gelijkende soorten
De belangrijkste verwisseling is met de gewone bosspitsmuis (Sorex araneus) en, waar die voorkomt, de tweekleurige bosspitsmuis (Sorex coronatus). Die zijn duidelijk groter en zwaarder, hebben een driekleurige vacht met een donkere rug en lichtere flankband, en een staart die naar verhouding korter en aan de basis niet ingesnoerd is. In de hand beslist de combinatie van gewicht, een achtervoet korter dan 12 mm en de staartverhouding; jonge bosspitsmuizen zijn kleiner, maar hebben al de kortere staart en de driekleurige vacht. In Scandinavië, Finland en Oost-Europa leven de kleine dwergspitsmuis (Sorex minutissimus), die nog kleiner is en een naar verhouding kortere staart heeft, en de noordse spitsmuis (Sorex caecutiens), die groter is; daar is de bepaling alleen in de hand en vaak pas aan de schedel zeker. Witgetande spitsmuizen (Crocidura), waaronder de wimperspitsmuis (Suncus etruscus) in het zuiden, hebben witte tanden, duidelijk uitstekende oren en losse lange haren op de staart. Een dier dat alleen even door het gras schiet is niet op soort te brengen.
Leefgebied
Vrijwel elk terrein met een dichte, vochtige kruidlaag: ruige graslanden, hooilanden, natte graslanden, heide, hoogveen en overgangsveen, riet- en zeggemoeras, duinen, houtwallen, heggen, bermen en bosranden. Belangrijk zijn een koele, vochtige bodem en veel dekking op de grond. Uitgestrekte gesloten bossen, vooral naaldbos met een moslaag, en bebouwing worden gemeden. In het zuiden van het areaal is de soort gebonden aan streken met voldoende neerslag en aan de gebergten; op het Iberisch Schiereiland wordt hij van zeeniveau tot 2000 meter gevangen.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Van Ierland en het noorden van het Iberisch Schiereiland door vrijwel heel Europa en Siberië tot de Jenisej en het Baikalmeer, en in het zuidoosten tot de Altaj en de Tiensjan. De soort ontbreekt op IJsland, de Shetlandeilanden en de Kanaaleilanden en in het droge zuiden van het Middellandse Zeegebied. Op Ierland is het de enige Sorex, en genetisch onderzoek wijst erop dat de Ierse dieren uit Zuidwest-Europa stammen en vermoedelijk met mensen zijn meegekomen. Op het Iberisch Schiereiland loopt het areaal van Noord-Portugal en Galicië tot het vochtige oosten van Catalonië en het noorden van het Iberisch Randgebergte, met geïsoleerde bevolkingen in de Sierra de Guadarrama en de Sierra de Gredos en in de Sierra de Prades. In de Alpen, Italië en de zuidelijke Balkan leven eigen ondersoorten. In Nederland en België komt hij bijna overal voor waar dichte, vochtige vegetatie is.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
De dwergspitsmuis is het hele etmaal actief in korte perioden, met pieken in de schemering; in Engeland is een piek na zonsopgang en een lagere in de avondschemering gemeten, in Nederland en Polen ook veel activiteit overdag. Het voedsel bestaat uit kleine ongewervelden van het bodemoppervlak, vooral spinnen en kevers, daarnaast pissebedden, vliegen, insectenlarven, sprinkhanen en kleine slakjes; regenwormen, die door de bosspitsmuis in de grond worden opgespoord, ontbreken in zijn dieet. Per dag eet hij ongeveer een en een kwart keer zijn eigen gewicht, en in de winter besteedt hij tot de helft van zijn tijd aan foerageren. Zoals bij andere Sorex-soorten krimpen in de herfst lichaam en zelfs schedel, zodat winterdieren tot ruim een kwart lichter zijn dan in de zomer. Hij leeft solitair in een verdedigd leefgebied van ongeveer 500 tot 1850 m², in de winter groter dan in de zomer. De voortplanting loopt van april tot oktober, met twee tot vier worpen van meestal vier tot acht jongen na een draagtijd van ongeveer drie weken. Een dwergspitsmuis wordt niet ouder dan ongeveer vijftien maanden en overleeft geen tweede winter.
Waar en wanneer kijken
De soort is algemeen, maar wordt zelden goed gezien. De beste kans is op een zomeravond of vroeg in de ochtend langs een ruige grasrand, een heiderand of een houtwal, waar bij stil staan hoge piepjes te horen zijn en soms een klein dier over een open plekje schiet. Tegenplaten, stukken dakbeschot of hout die op een ruige plek worden gelegd en af en toe worden opgetild, geven kans op een korte blik. Let op de verhouding: een piepklein lijfje met een grote kop en een lange, dikke staart wijst op deze soort. Het uitpluizen van kerkuilbraakballen levert de betrouwbaarste gegevens op; de schedeltjes van de dwergspitsmuis springen er door hun grootte uit. Voor het levend vangen van spitsmuizen is in Nederland en België een ontheffing nodig, en een val moet vanwege het hoge energieverbruik vaak worden gecontroleerd.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd op wereldschaal (LC, 2016), met een zeer groot areaal. In het grootste deel van Europa is de soort algemeen, al is hij zelden de talrijkste spitsmuis; na een inzinking van de spitsmuizengemeenschap neemt hij soms tijdelijk de overhand, en zijn aantallen schommelen daardoor soms tegengesteld aan die van de gewone bosspitsmuis. De hoogste dichtheden worden bereikt in Europa, vooral op Ierland en enkele Baltische eilanden waar hij de enige Sorex is. Achteruitgang op lokale schaal volgt het verlies van ruige vegetatie: intensief maaien van bermen en slootkanten, het opruimen van houtwallen en ontwatering. Op de Nederlandse Rode Lijst van 2020 staat hij als thans niet bedreigd; hij is beschermd onder de Omgevingswet en staat op bijlage III van de Conventie van Bern. In het oosten van het areaal nemen de aantallen af, en in Jakoetië staat hij op de regionale Rode Lijst.
Wetenschappelijke naam
Sorex minutus | Linnaeus, 1766
Linnaeus beschreef de soort in 1766 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Sorex is het Latijnse woord voor de spitsmuis. minutus is Latijn voor 'klein', het voltooid deelwoord van minuere 'verkleinen'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Rusland, Siberië.






