Alle soorten › Knaagdieren › Muizen en ratten › Gerbillus henleyi

Gerbillus henleyi | Gerbillus henleyi

Pygmy gerbil | Gerbillus henleyi

Gerbillus henleyi is de kleinste renmuis van de Oude Wereld; met 8 tot 14 gram is het waarschijnlijk het lichtste knaagdier van Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten, lichter dan een huismuis. De soort leeft van de Atlantische kust van Marokko tot in de Negev. Hij wordt zelden gezien, omdat hij pas enkele uren na zonsondergang bovengronds komt en gebruikmaakt van zeer kleine holingangen.

Gerbillus henleyi (Gerbillus henleyi)
Foto: Jan Ebr — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Het belangrijkste spoor is het hol, dat door zijn geringe grootte gemakkelijk wordt gemist. De ingang meet slechts 10 tot 20 mm en is overdag van binnenuit met zand dichtgestopt; hij is dan alleen zichtbaar bij laag ochtendlicht, wanneer er een schaduwrand langs valt, of 's nachts wanneer hij open is. De gangenstelsels zijn eenvoudig en liggen vlak onder het oppervlak. In fijn, door de wind geribbeld zand is het loopspoor te vinden: een reeks lichte, paarsgewijze afdrukken van hooguit 1 cm, met vier tenen aan de voorvoet en vijf aan de achtervoet, soms met een dunne, golvende staartstreep ertussen. Tussen twee sprongen ligt vaak 10 tot 15 cm onbetreden zand. Keutels zijn zwart, hard en spoelvormig, 2 tot 3 mm lang, en liggen verspreid rond de holingang en aan de voet van struiken waar de soort zaad zoekt. Het zekerste bewijs komt uit braakballen: onder een zitplaats van kerkuil of oehoe verzamelde braakballen bevatten de zeer kleine kaken en de lange, dunne achtervoeten van deze soort, die daarin goed herkenbaar zijn; in grote delen van Noord-Afrika en de Levant is de soort op deze manier voor het eerst vastgesteld.

Gerbillus henleyi, het dier verdwijnt in zijn holletje in het losse zand; de lensdop ernaast geeft de maat — de ingang is nauwelijks breder dan een potlood en wordt overdag van binnenuit dichtgestopt
Het dier verdwijnt in zijn holletje in het losse zand; de lensdop ernaast geeft de maat — de ingang is nauwelijks breder dan een potlood en wordt overdag van binnenuit dichtgestopt · Foto: Jan Ebr — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

In zijn leefgebied

Gerbillus henleyi, nachts onder de dorre takken van een woestijnstruik op fijn rood zand — precies het open zand met wat lage begroeiing waar de soort zaad zoekt
Nachts onder de dorre takken van een woestijnstruik op fijn rood zand — precies het open zand met wat lage begroeiing waar de soort zaad zoekt · Foto: Jan Ebr — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een zeer kleine, zandkleurige renmuis met een kop-romplengte van minder dan 7 cm en een duidelijk langere staart, ongeveer 130 procent van de kop-romplengte. De rug is donker grijsbruin, de buik zuiver wit en scherp begrensd. Op het gezicht staan een duidelijke witte vlek boven het oog en een tweede achter de oorbasis; de oogleden hebben een dunne zwarte rand. De oren zijn klein, 8 tot 11 mm, en de zolen van de achtervoeten zijn kaal, zonder de borstel van witte haren van de zandbewonende renmuizen. De staart is dun, tweekleurig en eindigt in een smal, donkergrijs pluimpje. De achtervoeten (16 tot 20 mm) zijn lang voor zo'n klein dier; de soort beweegt zich voort in korte, lichte sprongen.

Gelijkende soorten

Het geslacht Gerbillus is in het veld moeilijk op soort te brengen: bij de meeste soorten zijn schedel of karyotype beslissend. Bij deze soort is het formaat bruikbaar: het is verreweg de kleinste, en een renmuis van ongeveer het formaat van een dwergmuis is vrijwel zeker deze soort. Gerbillus nanus, die grotendeels hetzelfde gebied bewoont, is duidelijk groter (kop-romp 7,2 tot 11 cm) en heeft een langere staart met een zwaardere pluim. Wagners renmuis (Gerbillus dasyurus) leeft op steen, terwijl deze soort zand en zoutvlakten bewoont, en is groter en bleker. Gerbillus andersoni van de kustduinen is eveneens groter en heeft behaarde voetzolen. De huismuis, die in oasen en dorpen naast deze soort voorkomt, heeft kortere achterpoten, een korte kale staart zonder pluim, geen witte gezichtsvlekken en een muffe geur. Een jonge springmuis springt op twee poten, heeft een veel langere staart met een zwart-witte vlag en veel langere achterpoten.

Leefgebied

Droge, open, zandige grond met enkele lage struiken: zandduinen en stuifzandvlakten, de randen van zoutmoerassen en sebkha's met zoutplanten, droge wadibeddingen en grindvlakten waar tussen de stenen zaad achterblijft. De soort heeft zachte grond nodig om in te graven, maar mijdt kaal gestoven duintoppen en leeft waar vegetatie dekking en zaad biedt. Op rots ontbreekt de soort; daar leven stekelmuizen en Wagners renmuis. In het cultuurland komt hij tot aan de randen van akkers en palmtuinen, maar is daar nooit talrijk.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

De aride zones van Noordwest-Afrika, van de Westelijke Sahara en Marokko oostwaarts tot Egypte, en ten zuiden van de Sahara van Mauritanië en Noord-Senegal tot Noord-Soedan, met een losse vondst in Djibouti; de oostelijke vorm mariae leeft op de Sinaï, in Zuid-Israël en Jordanië en verspreid over het Arabisch Schiereiland. In het noordelijke deel van het areaal gaat het om de woestijnrand van de Maghreb en Egypte, de Sinaï en de Negev. In Europa komt de soort niet voor.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Uitgesproken nachtactief en pas laat op de avond actief; overdag verblijft het dier in de grond achter een prop zand. Het voedsel bestaat vooral uit zaden, verzameld aan de voet van struiken en in de luwtezone van duinen. Over de voortplanting is weinig bekend: bij drachtige vrouwtjes zijn drie tot zes embryo's geteld, en er zijn aanwijzingen dat de worpen seizoensgebonden zijn, maar de maanden zijn niet vastgesteld. In Israël lag de dichtheid rond één tot twee dieren per hectare, plaatselijk tot vijf. Hervangsten zijn zeldzaam: de dieren zijn niet aan een vaste plek gebonden en verplaatsen zich voortdurend, wat samenhangt met hun afhankelijkheid van onvoorspelbaar beschikbaar zaad. Er is geen winterrust.

Waar en wanneer kijken

De soort wordt zelden bij toeval gezien. Kies een windstille nacht zonder maan, zoek een zandvlakte met lage struiken aan de rand van een wadi of zoutvlakte, en ga minstens twee uur na zonsondergang zitten met een rode lamp; bij wit licht verdwijnt het dier direct. In Noord-Afrika werkt langzaam rijden over een zandpad met een zaklamp uit het autoraam beter dan wachten: de ogen reflecteren sterk en het dier blijft even zitten. Zonder het dier te benaderen kan de soort ook via sporen worden vastgesteld: loop bij het eerste ochtendlicht, bij lage zon, over een verse zandvlakte en zoek naar dichtgestopte holletjes en lichte sprongsporen. Braakballen onder uilenzitplaatsen leveren vaker een waarneming op dan een nacht zoeken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2016). De soort is wijdverspreid in een leefgebied dat weinig door de mens wordt gebruikt; bedreigingen zijn niet bekend. Wel leeft hij overal in lage dichtheden en is hij moeilijk te tellen, zodat trends nauwelijks te meten zijn. Het verspreidingsbeeld is grotendeels gebaseerd op braakbalonderzoek en niet op vangsten; lacunes in de kaart geven vooral aan waar geen braakballen zijn verzameld. Waar zandwinning, irrigatielandbouw en het vastleggen van stuifduinen de open zandbodem doen verdwijnen, verdwijnt de soort plaatselijk mee.

Wetenschappelijke naam

Gerbillus henleyi | (de Winton, 1903)

De Winton beschreef de soort in 1903 als Dipodillus henleyi; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Gerbillus is een verkleinwoord bij gerbo, de oude naam van de springmuis, uit het Arabische yarbūʿ: het kleine broertje van de jerboa. henleyi eert een Henley, maar de Winton licht de naam niet toe en het is niet vastgesteld wie er achter schuilgaat. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Egypte, Wadi Natrun.