Alle soorten › Knaagdieren › Muizen en ratten › Gerbillus nanus
Gerbillus nanus | Gerbillus nanus
Baluchistan Gerbil | Gerbillus nanus
Gerbillus nanus is een middelgrote renmuis van zoutvlakten en zandwoestijnen tussen de Sinaï en de Indus. Wat vroeger als één soort van Marokko tot Pakistan gold, is op grond van DNA-onderzoek in tweeën gesplitst: de Noord-Afrikaanse dieren heten nu Gerbillus amoenus. In het westen van het areaal komt G. nanus voor op de Sinaï, in de Negev, de Arava en Jordanië.
Sporen
Het hol ligt onder een struik. De gangen zijn voor een renmuis vrij uitgebreid, ongeveer 1,5 m lang en tot 75 cm diep, en de ingang ligt vrijwel altijd in de schaduw van een lage struik, vaak bij zoutplanten zoals Nitraria. Rond de ingang ligt een kleine waaier van uitgegraven zand. In fijn zand is het loopspoor zichtbaar: paarsgewijze afdrukken van ruim 1 cm, vier tenen aan de voorvoet en vijf aan de achtervoet, in een reeks sprongen met onbetreden zand ertussen en soms een dunne staartstreep. Op harde silt- of kleivlakten blijven geen sporen achter en is alleen het hol te vinden. Keutels zijn zwart, spoelvormig en 2 tot 3 mm lang. Vraatsporen bestaan uit kaf en lege zaadhulzen van grassen en van Medicago, meestal opgehoopt onder de struik waar het dier heeft gegeten; groene knoppen worden schuin afgeknipt. Tijdens het foerageren schuilt het dier in elk gaatje onderweg, zodat een reeks kleine, onbewoonde kuiltjes langs een rij struiken ook bij de sporen hoort. Zoals bij alle renmuizen zijn braakballen van kerkuil en oehoe de snelste manier om de soortensamenstelling van een woestijngebied vast te stellen.
Herkenning
Een renmuis van middelmatig formaat, kop-romp 7,2 tot 11 cm, met een staart die ongeveer een vijfde langer is, en een lange, zachte vacht waarin losse witte haren door het bruingrijs van de rug zijn gemengd, wat de rug een licht berijpt uiterlijk geeft. De buik is wit. Boven de ogen en achter de oren staan witte vlekken. De staart is lang en dicht behaard en eindigt in een goed ontwikkelde pluim van lange grijze haren; die pluim is het beste veldkenmerk. De voetzolen zijn kaal, de achtervoet is 19 tot 30 mm lang, de oren zijn klein tot middelmatig (7 tot 14 mm). Gewicht 14 tot 29 gram.
Gelijkende soorten
De renmuizen van de Levant lijken sterk op elkaar en zijn in het veld vaak niet zeker te determineren; voor zekerheid zijn schedelmaten en chromosomen nodig. Er zijn wel bruikbare aanwijzingen. Gerbillus henleyi is veel kleiner, half zo zwaar, en heeft een dun staartpluimpje in plaats van een echte pluim. Wagners renmuis (Gerbillus dasyurus) is de renmuis van steen (rotshellingen, puin en muurtjes), terwijl G. nanus zand, silt en zoutvlakten bewoont; het leefgebied onderscheidt ze vaak beter dan het uiterlijk. Gerbillus andersoni van de kustduinen heeft behaarde voetzolen, een verschil dat bij een gevangen dier direct zichtbaar is en op een foto zelden. Sundevalls zandmuis (Meriones crassus), die dezelfde woestijnen bewoont, is twee tot vijf keer zo zwaar, forser gebouwd en heeft deels behaarde zolen. Een huismuis mist de staartpluim, de witte gezichtsvlekken en de lange achtervoet.
Leefgebied
Zoutvlakten, halfwoestijn en zandwoestijn, met een voorkeur voor zandige of siltige bodem boven rots. In Israël is de soort gevonden tussen struiken van Nitraria retusa en in de lage begroeiing van zoutvlakten; verder in wadi's met enige blijvende vegetatie, op onbebouwde kleivlakten en in grindige halfwoestijn. In het oosten van het areaal is het beeld anders: in Baluchistan leeft de soort juist vooral op stenige grond met een harde bodem. Van zeeniveau tot ongeveer 1000 m.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
De nominaatvorm komt voor van de Sinaï via Israël en Jordanië, Irak en Iran tot Afghanistan, Pakistan en Noordwest-India; daarnaast zijn er vormen op het Arabisch Schiereiland, in Jemen en aan de Batinah-kust van Oman. Het westelijke deel van het areaal omvat de Sinaï, de Negev, de Arava en het aangrenzende Jordanië. Dit beeld is recent veranderd: moleculair onderzoek liet twee ver uiteenliggende groepen zien, een oostelijke van Israël tot Pakistan en een westelijke in Mali, Mauritanië en Libië. De westelijke dieren heten nu Gerbillus amoenus, zodat Noord-Afrikaanse vindplaatsen op oudere kaarten niet meer bij deze soort horen. Of G. garamantis een oudere naam voor die westelijke groep is, is niet vastgesteld. In Europa komt de soort niet voor.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Schemer- en nachtactief, met de meeste activiteit aan het begin en aan het eind van de nacht en een rustige periode daartussen. Volledig op de grond levend. Hij eet zaden en knoppen van grassen en zaden van Medicago, en drinkt niet: vocht uit het voedsel en uit de eigen stofwisseling is voldoende. 's Nachts verwijdert hij zich ver van het hol en schuilt onderweg in elk beschikbaar gaatje. De soort is niet koloniaal en leeft solitair of hooguit in losse groepjes. Over de voortplanting is weinig bekend: twee drachtige vrouwtjes in Oman droegen twee en vijf embryo's, en in Rajasthan valt de voortplanting tussen december en juni, met worpen van twee tot drie jongen. De draagtijd is ongeveer 20 dagen; de jongen worden naakt en blind geboren, openen na tien dagen de ogen en zijn na twintig dagen gespeend. Er is geen winterslaap of winterrust.
Waar en wanneer kijken
Ga na zonsondergang naar een zoutvlakte of een zandige wadibodem met lage struiken en zoek bij het eerste donker: de eerste activiteitspiek valt vroeg in de nacht, rond middernacht is de activiteit laag. In de Arava en de Negev zijn de zoutvlakten met Nitraria bekende locaties. Gebruik een rode lamp en blijf stil zitten; renmuizen komen dicht bij een zittende waarnemer. Zoek overdag aan de voet van struiken naar holingangen met een verse zandwaaier, en in het zand daartussen naar reeksen sprongsporen. Zonder het dier in de hand is een renmuis in de Levant vaak alleen tot het geslacht Gerbillus te determineren, en ook met het dier in de hand niet altijd verder.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2016), met een voorbehoud dat de Rode Lijst zelf vermeldt: de beoordeling betreft nog het oude, veel ruimere soortbegrip, en een herbeoordeling is nodig nu de Noord-Afrikaanse dieren zijn afgesplitst. Op het Arabisch Schiereiland lijkt de soort algemeen. In het oosten van het areaal, op de Indusvlakte, is de uitbreiding van irrigatielandbouw een bedreiging. In de Sinaï en de Negev gaat het om een randpopulatie, waar niet de landbouw maar de verharding en bebouwing van de woestijnrand de belangrijkste bedreiging vormt, en waar geen tellingen worden uitgevoerd.
Wetenschappelijke naam
Gerbillus nanus | Blanford, 1875
Blanford beschreef de soort in 1875 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Gerbillus is een verkleinwoord bij gerbo, de oude naam van de springmuis, uit het Arabische yarbūʿ: het kleine broertje van de jerboa. nanus is Latijn voor 'dwerg', ontleend aan het Griekse nanos, naar het geringe formaat. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Pakistan, Balochistan.



