Alle soorten › Evenhoevigen › Dolfijnen › Griend
Griend | Globicephala melas
Long-finned pilot whale | Calderón común
De griend is een grote, zwarte tandwalvis uit de dolfijnenfamilie, met een bolle, ronde kop en een lage, brede rugvin ver naar voren op de rug. De soort leeft in groepen van tientallen dieren boven de continentale helling van de koele en gematigde delen van de Noord-Atlantische Oceaan en in het westen van de Middellandse Zee, en duikt 's nachts diep naar inktvis. Grienden stranden vaak in groepen. Op de Faeröer wordt de soort nog steeds gejaagd.
Sporen
Op zee herken je grienden aan de lage, brede, ver naar voren staande vin op een lange, zwarte rug, en aan de ronde kop die bij het bovenkomen als eerste boven komt. De adem is laag en krachtig, bij stil weer zichtbaar als een korte, bossige wolk en goed hoorbaar. Grienden zwemmen meestal langzaam, vaak in een lange rij naast elkaar; overdag liggen groepen geregeld stil aan het oppervlak te rusten ('loggen'), met alleen de rug en de vin boven water. Ze steken de kop verticaal uit het water, slaan met de staart, en jonge dieren springen geregeld; volwassen dieren springen zelden. Een groep telt meestal twintig tot honderd dieren, verdeeld over kleinere groepjes van tien tot twintig; tijdelijke samenkomsten van honderden komen voor. Een groep die duikt, blijft tien tot zestien minuten onder water.
Herkenning
Groot, lang en donker: de huid is zwart tot donker bruingrijs, met een lichtgrijze, ankervormige vlek op keel en borst en bij veel dieren een vage grijze veeg achter de vin en achter het oog. De kop is rond en bol, zonder snavel; bij oude mannetjes is de meloen hoog en steil. De rugvin staat ver naar voren, ongeveer op een derde van de lichaamslengte, en is laag, lang en breed aan de basis: bij vrouwtjes en jonge dieren naar achteren gebogen, bij volwassen mannetjes dik en afgerond als een vlag. De borstvinnen zijn lang en smal, een vijfde tot een kwart van de lichaamslengte, maar zelden te zien. Vrouwtjes worden tot zes meter lang, mannetjes tot 7,6 m.
Gelijkende soorten
In de Europese zeeën is de enige gelijkende soort de kortvingriend (Globicephala macrorhynchus), die in warmer water leeft, onder meer rond de Canarische Eilanden en Madeira; de twee zijn in het veld vrijwel alleen aan de lengte van de borstvin te scheiden, en die is zelden te zien. De grijze dolfijn heeft ook een stompe kop, maar is lichter, bekrast, en heeft een hoge vin midden op de rug. De orka is zwart-wit met een oogvlek en een hoge vin. Een groep grienden die rustig aan het oppervlak ligt, kan op afstand lijken op een groep tuimelaars; de lage, brede vin ver naar voren en de ronde kop beslissen.
Leefgebied
Diep water boven de continentale helling en in de open oceaan, vooral waar het plat overgaat in de diepzee op ongeveer duizend meter diepte, zoals in het Faeröer-Shetlandkanaal, de Rockall Trough en de Porcupine Bight; in de zomer ook boven het plat en in fjorden en diepe baaien. De griend duikt dieper dan duizend meter; het meeste voedsel wordt 's nachts gevangen op tweehonderd tot vijfhonderd meter diepte. Het voedsel bestaat vooral uit inktvis, aangevuld met vis zoals makreel, heek, kabeljauw, wijting, pollak, horsmakreel en zeebaars.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
In Europa van Noord-Noorwegen, de Faeröer en IJsland naar het zuiden tot de Golf van Biskaje en het Iberisch Schiereiland, en in het westen van de Middellandse Zee, waar de soort algemeen is, met een vaste groep in de Straat van Gibraltar. Rond de Britse Eilanden leeft ze vooral langs de continentale helling ten noorden en westen van Schotland en Ierland en in de zuidwestelijke toegangen tot het Kanaal. Bij tellingen in 2016 werden van Zuid-Noorwegen tot Portugal ongeveer 33.000 grienden geschat, en in 2015 rond de Faeröer en IJsland ongeveer 600.000. In de Noordzee en het Kanaal is de soort zeldzaam; groepen die de Noordzee in zwemmen, stranden soms.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Dag en nacht actief, met diepe voedselduiken vooral 's nachts. De griend leeft in stabiele groepen rond verwante vrouwtjes, waarin op elk mannetje ongeveer drie vrouwtjes komen. Een vaste voortplantingstijd is er niet; op de Faeröer ligt de piek van de bevruchting van april tot juli. De draagtijd is twaalf tot zestien maanden; het jong is bij de geboorte ongeveer 1,8 m lang en wordt anderhalf tot bijna vier jaar gezoogd, soms langer. Een vrouwtje krijgt eens in drie tot zes jaar een jong. Vrouwtjes zijn geslachtsrijp op ongeveer acht jaar, mannetjes op twaalf tot dertien. Mannetjes worden vijfendertig tot vijfenveertig jaar oud, vrouwtjes zestig of ouder. De hechte groepsbanden zijn een van de verklaringen die voor de massastrandingen worden gegeven.
Waar en wanneer kijken
In de Straat van Gibraltar varen het hele jaar boten uit Tarifa, en grienden zijn daar een van de soorten die het vaakst worden gezien. In Noord-Noorwegen worden ze in de zomer onder meer bij Andenes gezien. De veerboten van Plymouth en Portsmouth naar Spanje kruisen boven de continentale helling in de Golf van Biskaje, waar grienden in de zomer geregeld worden gezien; op de veerboten naar de Faeröer en IJsland loopt de route door het Faeröer-Shetlandkanaal. Zoek bij kalm weer naar een rij lage, zwarte ruggen met een brede vin; een rustende groep blijft vaak lang op dezelfde plek.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2018). Op de Faeröer wordt de griend in de traditionele drijfjacht, de grindadráp, vooral in de zomer in baaien gedreven en gedood; tussen 1991 en 2017 ging het om gemiddeld ongeveer zevenhonderd dieren per jaar. De Faeröerse gezondheidsautoriteiten adviseerden in 2008 om het vlees vanwege de hoge kwikgehalten niet meer te eten. Andere bedreigingen zijn bijvangst in trawlnetten, drijfnetten en lange lijnen, vervuiling, aanvaringen met schepen en onderwatergeluid. De soort is beschermd onder de Habitatrichtlijn en valt onder ASCOBANS en ACCOBAMS; de populaties van de Noordzee en de Oostzee staan op Bijlage II van het Verdrag van Bonn.
Wetenschappelijke naam
Globicephala melas | (Traill, 1809)
Traill beschreef de soort in 1809 als Delphinus melas; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Globicephala is gevormd uit het Latijnse globus 'bol' en het Griekse kephalē 'kop': de bolkop. melas is Grieks voor 'zwart'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Schotland, Orkney-eilanden (Pomona).
