Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Grijze grootoorvleermuis

Grijze grootoorvleermuis | Plecotus austriacus

Grey long-eared bat | Orejudo Gris

De grijze grootoorvleermuis is de grootoorvleermuis van warm, open land: in Midden-Europa van laaglanden met akkers, weiden en dorpen, in Zuid-Europa van een breder scala aan landschappen. Oren van 31 tot 41 mm, een onderarm van 36,5 tot 43,5 mm en een gewicht van 6 tot 10 gram. In het noorden van het areaal verblijft de soort vrijwel alleen in gebouwen, vooral kerken en oude huizen; in het zuiden ook in rotsspleten, grotingangen en bruggen. Op de mondiale Rode Lijst staat zij sinds 2023 als gevoelig (NT).

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

In kerkzolders, torens en oude huizen hangen de dieren in de nok, tussen balken of in spleten van het dakbeschot; onder de hangplekken ligt mest. Onder vaste eetplekken liggen, net als bij de gewone grootoorvleermuis, afgebeten vlindervleugels; bij de grijze gaat het vooral om spanners. Kraamkolonies zijn klein en blijven gedurende de zomer in hetzelfde gebouw. In de winter hangen de dieren alleen of in kleine groepjes in grotten en mijnen, soms op korte afstand van het zomerverblijf. Op de batdetector zijn de pulsen zwak en alleen van dichtbij op te nemen; zij zijn niet van die van de andere grootoorvleermuizen te scheiden.

Herkenning

Een middelgrote grootoorvleermuis met oren van 31 tot 41 mm die boven het voorhoofd verbonden zijn. De rugvacht is donkergrijs tot grijs met een bruinachtige zweem, de buikzijde witachtig of berijpt. Kenmerkend is het donkere gezicht met een lange, donkere snuit, dat als een masker afsteekt. De tragus is donker, breed (meer dan 5,5 mm) en lang (meer dan 14 mm). De duim is kort, minder dan 6,5 mm, en de voeten zijn weinig behaard. De penis is aan het eind knotsvormig verbreed. In rust liggen de oren naar achteren onder de vleugels en steekt alleen de tragus uit. De echolocatie is die van alle grootoorvleermuizen: pulsen met twee frequentiegemoduleerde harmonischen, de eerste dalend van ongeveer 40 naar 20 kHz, de tweede van 70 naar 40 kHz. De pulsen zijn zwak, en de soort is daardoor met akoestisch onderzoek moeilijk te volgen.

Gelijkende soorten

De gewone grootoorvleermuis (P. auritus) is de soort waarmee de grijze het vaakst naast elkaar voorkomt. Die heeft een licht, crèmekleurig tot lichtbruin gezicht zonder masker, een bruinere rug met een geelachtige buik, een smallere tragus (minder dan 5,5 mm breed), een duim langer dan 6,5 mm met lange, gebogen klauwen, behaarde voeten en een penis die naar het eind toe smal toeloopt. De berggrootoorvleermuis (P. macrobullaris) lijkt in roep, vliegwijze en voedsel sterk op de grijze, maar heeft een omgekeerd driehoekig kinkussentje, een duim langer dan 6,2 mm, een lichte tragus en een cilindrische penis; in Zwitserland en de Pyreneeën sluiten de twee elkaar grotendeels uit, de grijze in het laagland, de berggrootoorvleermuis hogerop. Plecotus kolombatovici in de Adriatische en Egeïsche kuststreek gold tot het begin van deze eeuw als ondersoort van de grijze: kleiner (onderarm 36–39 mm), met een tragus korter dan 14 mm, een gezicht en kin die bijna helemaal behaard zijn, en ook een knotsvormige penis. Op Sardinië verschilt de Sardijnse grootoorvleermuis (P. sardus) door een tragus van meer dan 18 mm en een lichtere, rozebruine snuit zonder donker masker. Op Malta en Gozo, waar de soort in het handboek nog wordt vermeld, en op Pantelleria is in 2020 met DNA P. gaisleri vastgesteld. De kleurkenmerken overlappen bij jonge dieren; een zekere determinatie berust op een combinatie van tragusbreedte, duimlengte en penisvorm aan een dier in de hand, of op DNA.

Leefgebied

Van laaglanddalen en graslanden tot hooggelegen weiden en bos, tot 1390 m. In Midden-Europa vooral warme laaglanden, rond dorpen en in boerenland, sterk gebonden aan open landschap; in Zuid-Europa een bredere reeks leefgebieden. Kraamkolonies liggen meestal lager dan 550 m. De soort jaagt in open en halfopen terrein, langs heggen, boven weiden, op 2 tot 5 m hoogte en soms boven de boomkruinen op ongeveer 10 m. Zomerverblijven liggen in het noorden in kerken, kastelen, zolders en oude gebouwen; in het zuiden ook in rotsspleten, grotingangen, kloven in kliffen en bruggen. Winterverblijven zijn grotten en mijnen.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Zuid-Engeland, West-Frankrijk en het Iberisch Schiereiland, oostwaarts door Midden-Europa en het uiterste zuiden van Zweden tot West-Oekraïne en de Balkan; verder de grote eilanden in het westen van de Middellandse Zee (Balearen, Corsica, Sardinië, Sicilië) en Madeira. Het handboek noemt ook Malta, maar daar is later met DNA P. gaisleri vastgesteld. De soort is monotypisch. Populaties uit Noord-Afrika, de Canarische Eilanden, het oosten van het Middellandse-Zeegebied en Azië die vroeger onder P. austriacus vielen, worden nu tot andere soorten gerekend (P. gaisleri, P. teneriffae, P. kolombatovici, P. christii en Aziatische soorten). In het Middellandse-Zeegebied is de soort algemeen, in Oost-Europa lokaal zeldzaam.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

De soort jaagt meer in de vlucht dan door prooi van bladeren te plukken. Het voedsel bestaat grotendeels uit nachtvlinders, vooral spanners, die in 70 tot 100 procent van de onderzochte keutels voorkwamen; afhankelijk van seizoen en aanbod ook kevers, langpootmuggen en andere tweevleugeligen. De voedselniche overlapt met die van de berggrootoorvleermuis (graslandvlinders), minder met die van de gewone grootoorvleermuis (bosprooien). 's Nachts vliegen de dieren tot 12 km naar hun jachtgebied, meestal ongeveer 5 km, en de jachtgebieden zelf zijn klein. Kraamkolonies tellen enkele tientallen vrouwtjes, zelden 100. De jongen worden eind juni geboren; paringsactiviteit is gemeld van mei tot november. In de winter trekken de dieren naar grotten of mijnen voor de winterslaap, meestal over korte afstand; de grootste gemeten verplaatsing is ongeveer 62 km.

Waar en wanneer kijken

Kerken en kastelen in open boerenland zijn de plekken om naar grijze grootoorvleermuizen te zoeken; bij daglicht zijn de dieren op de zolder soms tussen de balken te zien. In de schemering vliegen de dieren uit naar weiden en heggen rond het dorp, waar je met een lamp met rood licht de lange oren kunt zien. Het donkere gezicht is bij een goede foto van dichtbij vaak te zien, maar is bij jonge gewone grootoorvleermuizen niet altijd licht; zonder tragus- en duimmaat blijft de determinatie voorlopig.

Staat van instandhouding

Gevoelig (NT) op de mondiale Rode Lijst, beoordeling 2023; daarvoor stond de soort als niet bedreigd te boek. Het handboek beschrijft haar als wijdverbreid en in het Middellandse-Zeegebied algemeen, maar lokaal zeldzaam in Oost-Europa, met gemelde achteruitgang in Oostenrijk en Kroatië. Genoemde oorzaken zijn verstoring en verlies van verblijfplaatsen en versnippering van het leefgebied door intensivering van de landbouw. De soort staat in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en valt onder de Conventie van Bern en het EUROBATS-verdrag.

Wetenschappelijke naam

Plecotus austriacus | (J. B. Fischer, 1829)

J. B. Fischer beschreef de soort in 1829 als Vespertilio auritus Austriacus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Plecotus is Grieks, van plekein 'vlechten, in elkaar draaien' en ous, genitief ōtos, 'oor', naar de reusachtige oren die boven het voorhoofd aan elkaar vastzitten. austriacus betekent 'Oostenrijks'; Fischer onderscheidde het dier als de Weense vorm van de gewone grootoorvleermuis. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Oostenrijk, Wenen.