Alle soorten › Knaagdieren › Muizen en ratten › Grote bosmuis

Grote bosmuis | Apodemus flavicollis

Yellow-necked mouse | Ratón Leonado

De grote bosmuis is een bosmuis van oud loofbos, groter en roder dan de bosmuis, met langere oren en een gele band dwars over de borst. Hij klimt beter, springt verder en komt in de winter vaker huizen binnen dan de bosmuis. Het onderscheid met de bosmuis is in de hand meestal te maken, maar in het veld vaak niet met zekerheid.

Grote bosmuis (Apodemus flavicollis)
Foto: BlueBreezeWiki — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Sporen

De eetsporen zijn gelijk aan die van de bosmuis: aan een opengeknaagde hazelnoot is het geslacht te herkennen, niet de soort. De noot onderscheidt muis, woelmuis, eekhoorn en specht, niet bosmuis en grote bosmuis. Kenmerken: een rond gat van vijf tot acht millimeter met een gladde rand, en naast het gat duidelijke tandgroeven dwars over de schaal. De rosse woelmuis laat een rafelige rand achter zonder groeven buiten het gat, de eekhoorn splijt de noot of knaagt er een grote, rafelige opening in, en een specht hakt een onregelmatig gat in een noot die in een spleet is geklemd. De grote bosmuis verschilt in zijn voorraden, die groter zijn en vaker boven de grond liggen: hij klimt goed en vult nestkasten, holle bomen, boomholten en zolders met eikels, beukennootjes en hazelnoten, soms liters tegelijk. De keutels zijn donkere, spoelvormige korrels van drie tot vijf millimeter, iets groter dan die van de bosmuis maar niet betrouwbaar te onderscheiden. In sneeuw ontstaat een sprongspoor met vier prenten in een groepje, de achtervoeten vóór de voorvoeten en een staartstreep ertussen; door de langere achtervoet zijn de sprongen iets langer dan bij de bosmuis. De holen liggen onder boomwortels en zijn dieper en uitgebreider, met aparte voorraadkamers.

In zijn leefgebied

Grote bosmuis, in januari onder een besneeuwde stam bij sint-petersburg — hij houdt geen winterslaap. over de keel loopt de dwarse band die de soort haar naam geeft, hier bleek in de winterpels; de determinatie is die van de waarnemer
In januari onder een besneeuwde stam bij Sint-Petersburg — hij houdt geen winterslaap. Over de keel loopt de dwarse band die de soort haar naam geeft, hier bleek in de winterpels; de determinatie is die van de waarnemer · Foto: Andrey Gulivanov — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een forse, langgestaarte muis met een kop-romplengte van 8,1 tot 13 cm, een staart van 8,6 tot 13,5 cm die even lang of iets langer is dan kop en romp, en een gewicht van 22 tot 56 gram, ruwweg de helft zwaarder dan een bosmuis. De bovenzijde is helder roodbruin tot kastanjebruin, met een donkere zweem van dekharen over het midden van de rug; de onderzijde is zuiver wit en scherp van de flank gescheiden. Het meest onderscheidende kenmerk is de okergele band dwars over keel en borst, die bij een volwassen dier van schouder tot schouder doorloopt en aan de zijkanten naar de rug omhoog reikt, maar niet over de buik doorloopt. De ogen zijn groot en bol, de oren lang en dun, de achtervoet meet meer dan 22 mm en bij de staartwortel zit een duidelijk talgklierkussen. De staart is tweekleurig, geschubd en spaarzaam behaard.

Gelijkende soorten

De bosmuis is de belangrijkste verwarringssoort, en het onderscheid is lastig. De grote bosmuis is gemiddeld groter, roder en contrastrijker en heeft een doorlopende gele borstband, waar de bosmuis hooguit een gele vlek of een kort streepje heeft dat de zijkanten niet bereikt. Jonge grote bosmuizen hebben echter soms een onvolledige band, oude bosmuizen soms een grote vlek, en de maten overlappen sterk. In de hand beslissen de achtervoetlengte (meer dan 22 mm) en de borsttekening samen meestal; bij jonge dieren is de determinatie op uiterlijke kenmerken niet mogelijk. Op een foto of in een lichtbundel is 'Apodemus' dan de juiste determinatie. In de Alpen komt een derde soort voor, de alpenbosmuis, met een grijswitte in plaats van zuiver witte buik en een staart van meer dan 120 procent van de kop-romplengte; waar de drie samen voorkomen, is zekerheid soms alleen met biochemische methoden te krijgen. Van de huismuis is de soort in het veld wel te onderscheiden: die is grijzer en doffer, heeft kleinere ogen en oren, geen scherpe grens tussen rug en buik, een rondom even donkere staart en een sterke muizengeur. De brandmuis is kleiner en heeft kleine ronde oren, een korte staart en een zwarte rugstreep. Woelmuizen hebben een stompe snuit, kleine ogen en een korte staart.

Leefgebied

Oud loofbos, bij voorkeur oud eiken- en beukenbos met een struiklaag en een goede zaadzetting. Verder gemengd bos, bosranden, houtwallen en heggen, parkbos, boomgaarden, kerkhoven, tuinen bij bos en, vooral in de herfst, schuren, zolders en huizen. Waar bosmuis en grote bosmuis samen voorkomen, bewoont de grote bosmuis het gesloten bos en de bosmuis de bosrand en het open land. De soort mijdt natte terreinen en dicht grasland. In de gebergten van Zuid-Europa komt ze tot 2500 m voor. In Spanje is ze een soort van vochtig loofbos met strikte eisen aan de bosstructuur; in Navarra is ze beperkt tot gebieden met meer dan duizend millimeter neerslag per jaar.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Van Groot-Brittannië en Noord-Spanje oostwaarts tot de Oeral, en zuidoostwaarts via Turkije en de Kaukasus tot West-Syrië, Libanon, Noord-Israël, Noordwest-Jordanië, Armenië en het Zagrosgebergte in West-Iran. In Midden- en Oost-Europa is de soort algemeen en wijdverbreid. In Groot-Brittannië komt ze voor in Wales, de Welsh Marches en Zuid-Engeland, met een versnipperde noordgrens; Britse dieren behoren tot de grootste van Europa. In Ierland ontbreekt de soort. In Nederland is ze beperkt tot Limburg en de oostelijke strook tussen Groningen en Winterswijk, waar ze sinds de jaren tachtig duidelijk in aantal en verspreiding is toegenomen; in België komt ze vooral in de zuidelijke en oostelijke bossen voor. In Spanje bewoont ze alleen het noordelijke derde deel: vrij gelijkmatig langs de Cantabrische kust en van daaruit tot in Noord-León, Burgos, La Rioja en Soria; in de centrale en oostelijke Pyreneeën is de soort slecht onderzocht en zijn de waarnemingen verspreid; de zuidelijkste populaties liggen in de Montseny en de Catalaanse kustgebergten. Ze komt daar voor van zeeniveau tot ongeveer 1000 m in het Cantabrisch gebied, van 680 tot 1000 m in Navarra en van 300 tot 1500 m in Catalonië. In het zuiden van het Iberisch Schiereiland, in Portugal buiten het uiterste noorden en op de Balearen ontbreekt ze.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Strikt nachtactief, met de meeste activiteit ruim na middernacht; overdag wordt de soort vrijwel nooit gezien. Er is geen winterslaap en de dieren zijn het hele jaar actief; bij vorst liggen meerdere dieren in één nest en wordt van de najaarsvoorraad geleefd. De soort is een zaadeter (eikels, beukennootjes, hazelnoten, kiemplanten, knoppen en bessen), met tot ongeveer een vijfde dierlijk voedsel: insecten, slakken en wormen. Ze klimt en springt goed en foerageert zowel in bomen als op de grond. Het nest ligt in een holle boom, een nestkast, een gang onder boomwortels of een ondergrondse kamer. Van maart tot oktober worden drie tot acht jongen per worp geboren, gemiddeld vijf tot zeven, met meerdere worpen per jaar. In Servië steeg de dichtheid in een mastjaar tot vijfentachtig dieren per hectare en daalde ze anderhalf jaar later tot drie. Het leefgebied is klein, meestal minder dan een halve hectare, met een mediaan van ruim zeshonderd vierkante meter voor mannetjes en iets minder voor vrouwtjes; de gemiddelde verplaatsing is ongeveer veertig meter. Predatoren zijn onder meer bosuil, ransuil, wezel, hermelijn, vos en boommarter.

Waar en wanneer kijken

Zoek na middernacht in oud eiken- of beukenbos met een goede zaadzetting en wacht met een rode lamp bij een boomvoet of een omgevallen stam. De herfst is het gunstigste seizoen: de aantallen zijn dan het hoogst en de dieren leggen voorraden aan. Een tweede mogelijkheid zijn nestkasten: bij het schoonmaken in het najaar worden in bosgebieden geregeld grote bosmuizen aangetroffen, op een laag noten; kijk, maar vang ze niet. Een derde is het huis: van oktober tot december is dit in bosrijke streken de muis die binnenkomt, en bij goed licht is de gele borstband direct zichtbaar. Vang niets zonder vergunning; levendvangst van kleine zoogdieren is aan regels gebonden, en in Nederland en België is de grote bosmuis beschermd.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2021). In Europa als geheel is de soort algemeen, en de aantallen schommelen zoals bij alle bosmuizen met de zaadzetting van eik en beuk. Aan de randen van het areaal is de situatie anders: in Nederland stond de soort lange tijd als gevoelig op de Rode Lijst en is ze sinds 2020 ingedeeld als 'thans niet bedreigd', na een toename in Oost-Nederland die nog niet verklaard is. Als soort van oud, gesloten loofbos met een rijke zaadzetting is ze gevoeliger voor bosbeheer dan de bosmuis: kaalkap, omvorming naar naaldhout en het verdwijnen van dikke, holle bomen hebben meer effect. Waar oud loofbos terugkeert, vestigt de soort zich opnieuw.

Wetenschappelijke naam

Apodemus flavicollis | (Melchior, 1834)

Melchior beschreef de soort in 1834 als Mus flavicollis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Apodemus is Grieks, van apodēmos 'weg van huis, buitenshuis'. flavicollis is Latijn voor 'geelhalzig', van flavus 'geel' en collum 'hals', naar de gele band op de keel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Denemarken, Sjælland.