Alle soorten › Knaagdieren › Muizen en ratten › Westelijke rotsmuis

Westelijke rotsmuis | Apodemus epimelas

Western Broad-toothed Field Mouse | Ratón de campo de dientes anchos occidental

De westelijke rotsmuis is de grootste muis van Europa en wijkt in uiterlijk sterk af van andere muizen: grijs in plaats van bruin, met zeer lange snorharen, grote oren en een zware kop. De soort leeft tussen de kalksteen van de Balkan. Zij werd tot 2005 samen met de oostelijke rotsmuis als één soort beschouwd; onderzoek aan mitochondriaal en kern-DNA scheidde de twee en legde de grens bij de Egeïsche Zee. In het veld betekent dat: een zeer grote grijze muis op kalksteen op het vasteland van de Balkan is deze soort.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

De sporen zijn schaars en liggen vooral onder stenen. De soort graaft geen uitgebreide gangenstelsels maar schuilt in rotsspleten en graaft zijn nest onder blokken; zoeken heeft dus zin tussen stenen en niet in zand. Aan een muur, een steenhoop of een blokkenveld wijzen gladgesleten doorgangen tussen de stenen en, bij een vaste ingang, een verzameling doppen, schillen en slakkenhuizen op zijn aanwezigheid. De keutels zijn de gewone donkere spoelvormige korrels van de Apodemus, maar door het formaat van het dier aan de grote kant, vier tot zes millimeter. Vraatsporen: pijnboomzaad uit opengebroken kegels, eikels en johannesbrood met een rond gat, graankorrels en onkruidzaden, en met enige regelmaat leeggegeten slakkenhuizen en eierschalen; de soort eet meer dierlijk voedsel dan de meeste muizen. In de braakballen van kerkuil en oehoe op de Balkan is hij door zijn formaat direct herkenbaar, en langs die weg wordt de soort het vaakst vastgesteld.

Herkenning

De westelijke rotsmuis is een uitzonderlijk grote muis: kop-romp 10 tot 15 cm, staart 10,2 tot 14,6 cm — ongeveer even lang als de rest van het dier — en een gewicht van 28 tot 56 gram, dus in het uiterste geval het dubbele van een bosmuis. De bovenzijde is grijs, niet bruin, de onderzijde grijswit. De kop is zwaar, de snorharen zijn opvallend lang en de oren zijn groot; samen doen ze het dier eerder op een jonge rat dan op een bosmuis lijken. De poten zijn stevig en de achtervoet lang, 24 tot 28 mm. De Engelse naam 'broad-toothed' verwijst naar de brede kiezen, die in het veld niet te zien zijn; in het veld beslist de combinatie van formaat, grijze vacht en steenachtig leefgebied.

Gelijkende soorten

Binnen het verspreidingsgebied zijn er weinig verwarringsmogelijkheden. Bosmuis en grote bosmuis zijn kleiner, roodbruin tot geelbruin in plaats van grijs, en hun buik is wit met een scherpe grens; ze hebben bovendien kortere snorharen en een minder zware kop. Bij twijfel geldt: bij de rotsmuis is de kop-romplengte van een volwassen dier zelden onder de tien centimeter, en dat haalt geen enkele bosmuis. De zwarte rat is op de Balkan de belangrijkste verwarringsmogelijkheid, omdat ook die grijs en groot is en klimt; zij is echter duidelijk groter, met een staart die duidelijk lánger is dan het lichaam en met kleine ogen ten opzichte van de kop; de rotsmuis heeft de grote bolle ogen van een Apodemus. De oostelijke rotsmuis is alleen op vindplaats te onderscheiden: de twee zijn uiterlijk nauwelijks te scheiden en werden tot 2005 als één soort geteld. De grens ligt bij de Egeïsche Zee: op het vasteland van de Balkan en de Ionische eilanden staat de westelijke soort, op Kreta, Rhodos, de oostelijke Egeïsche eilanden en in Anatolië en de Levant de oostelijke. Op een foto van een dier zonder vindplaats is 'rotsmuis' het enige verantwoorde antwoord.

Leefgebied

De westelijke rotsmuis leeft op steenachtig terrein: karstplateaus, rotswanden, puinhellingen, blokkenvelden, oude muren en steenhopen, met daarbij lage struikbegroeiing: maquis, garrigue, doornige phrygana en droge graslanden met rotsen erin. Hij houdt van droge terreinen met struikvegetatie en gaat ook in altijdgroen eiken- en pijnboombos, mits de bodem steenachtig is. De soort komt voor van zeeniveau tot 1620 m. Buiten steenachtig terrein ontbreekt zij: op diepe bodems en in gesloten vochtig bos leeft de bosmuis.

Verspreiding

De westelijke rotsmuis komt voor op de westelijke Balkan en in Griekenland: Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Montenegro, Servië, Kosovo, Albanië, Noord-Macedonië, Bulgarije en Griekenland, met de Ionische en een deel van de Egeïsche eilanden. Daarbuiten komt de soort niet voor; zij is beperkt tot het Dinarische en Helleense karstgebied. Tot 2005 werd dit gebied als de westelijke helft van het areaal van de oostelijke rotsmuis geteld; het genetische onderzoek liet zien dat de Balkan-dieren een eigen, oudere lijn vormen, en sindsdien draagt de soort de naam die Nehring in 1902 aan een dier van de Parnassos gaf. In West-, Noord- en Zuidwest-Europa, waaronder Frankrijk, Spanje en Italië, ontbreekt de soort.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

De westelijke rotsmuis is actief in de nacht en de schemering en leeft vrijwel geheel op de grond: hij klimt matig, springt goed tussen stenen door en is nooit ver van dekking. Hij eet groene plantendelen, zaden, vruchten en insecten, en is daarmee een alleseter met een breder menu dan de zaadspecialisten van het noorden. Hij houdt geen winterslaap. De voortplanting loopt van mei tot september, met een draagtijd van ongeveer vijfentwintig dagen en worpen van twee tot acht jongen. Het nest ligt in een rotsspleet of in een zelfgegraven kamer onder een blok. Over zijn sociale vorm en zijn woongebied is opvallend weinig bekend; het is een van de minst onderzochte zoogdieren van Europa, niet omdat de soort zeldzaam is maar omdat vangonderzoek in karst moeilijk is.

Waar en wanneer kijken

Mei en juni zijn geschikt in de karstgebieden van de Dinarische Alpen en Griekenland, na zonsondergang met een zaklamp langs een oude droge muur, een steenhoop bij een verlaten dorp of de voet van een rotswand. Rotsmuizen zijn nieuwsgierig en gebruiken vaste routes tussen de stenen; na een half uur stilzitten is er meestal een te zien. Ruïnes van kloosters en vestingen zijn bijzonder geschikt. Het formaat, merkbaar groter dan dat van bosmuizen, is in het veld het beste kenmerk. De vindplaats bepaalt welke van de twee rotsmuizen het betreft.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2008), maar de beoordeling dateert van vóór het moment dat de soort algemeen werd aanvaard en berust op weinig gegevens. Hij is over het Dinarische en Helleense karst wijd verspreid en nergens zeldzaam, en zijn leefgebied, kaal karst met struweel, is een van de weinige Europese landschappen waarnaar geen landbouwdruk uitgaat. Bedreigingen zijn er dan ook nauwelijks: lokaal het dichtgroeien van open karst na het wegvallen van de begrazing, en de bouw langs de Adriatische kust. Van een soort die de grootste muis van Europa is en pas sinds 2005 als afzonderlijke soort wordt erkend, is weinig bekend; meer onderzoek en een nieuwe beoordeling zijn nodig.

Wetenschappelijke naam

Apodemus epimelas | (Nehring, 1902)

Nehring beschreef de soort in 1902 als Mus epimelas; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Apodemus is Grieks, van apodēmos 'weg van huis, buitenshuis'. epimelas is Grieks voor 'zwartachtig', van epi- hier 'enigszins' en melas 'zwart', naar de donkere vacht. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Griekenland, Parnassos.