Alle soorten › Roofdieren › Beren › IJsbeer

IJsbeer | Ursus maritimus

Polar bear | Oso polar

De ijsbeer is een van de grootste landroofdieren en jaagt vrijwel uitsluitend op het zee-ijs, op zeehonden. In Europa leeft hij alleen op Spitsbergen (Svalbard) en op het zee-ijs van de Barentszzee tot Frans Jozefland, rond 78 graden noorderbreedte en noordelijker.

IJsbeer (Ursus maritimus)
Foto: Arturo de Frias Marques — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Anders dan een zeehond laat een ijsbeer wel prenten achter, en het zijn de grootste van Europa. De achtervoet meet dertig centimeter of meer in lengte en laat een lange, smalle zoolafdruk met vijf tenen achter; de voorvoet is korter maar breder en geeft een ronde afdruk van ongeveer 25 cm. In verse, natte sneeuw of in modder zijn de haren tussen de kussentjes zichtbaar als een fijne, geveegde structuur die de prent een onscherpe rand geeft; de klauwafdrukken staan als korte, dikke streepjes vlak voor de tenen. De pas van een rustig lopend dier is ruim een meter, en het spoor bestaat uit twee licht uit elkaar liggende rijen; de achtervoet wordt vlak achter of half over de prent van de voorvoet gezet. Verder zijn er glijsporen waar het dier zich op de buik over de sneeuw heeft voortgeschoven om de vacht te reinigen, en plaatsen waar een zeehond is gedood: een kring van bloed en geel vet rond een opengebroken sneeuwhol of een ademgat, waarbij huid en speklaag zijn opgegeten en het vlees vaak grotendeels is achtergelaten. Het kraamhol van het vrouwtje ligt in een steile sneeuwhelling en is zichtbaar zodra ze in maart met de jongen naar buiten komt: een opening in de sneeuw met een platgetrapte, geel verkleurde voorplaats en veel kleine prenten eromheen. Keutels zijn zwart, teerachtig en glanzend door zeehondenspek, en bevatten haren.

IJsbeer, verse prent in fijn slib: de brede zool met de vijf tenen, en tussen de kussentjes de vegende afdruk van de haren
Verse prent in fijn slib: de brede zool met de vijf tenen, en tussen de kussentjes de vegende afdruk van de haren · Foto: Paxson Woelber — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

In zijn leefgebied

IJsbeer, in de zomer, wanneer het ijs weg is: op de kale kusttoendra van krossfjorden, spitsbergen
In de zomer, wanneer het ijs weg is: op de kale kusttoendra van Krossfjorden, Spitsbergen · Foto: AWeith — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Het jong

IJsbeer, wijfje met jong van het eerste jaar op dicht drijfijs bij spitsbergen; het jong blijft tweeënhalf jaar bij haar
Wijfje met jong van het eerste jaar op dicht drijfijs bij Spitsbergen; het jong blijft tweeënhalf jaar bij haar · Foto: AWeith — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een langgerekte, hoogpotige beer met een lange nek, een smalle kop en een recht profiel, zonder de voorhoofdsknik van de bruine beer, en kleine, ronde, ver naar achteren geplaatste oren. De vacht is wit tot roomgeel en verkleurt in de zomer naar strogeel of vuilgrijs; de huid eronder is zwart, evenals de neus, de lippen en de voetzolen. Er is geen schoftbult en de rug loopt vlak. De poten zijn zeer groot: de voorpoot is tot dertig centimeter breed en wordt gebruikt om te zwemmen, terwijl het brede oppervlak het gewicht op sneeuw verdeelt; tussen de tenen zitten vliezen, tussen de kussentjes dichte beharing, en kleine, ruwe knobbeltjes op de zolen geven grip op ijs. Mannetjes zijn twee tot drie keer zo zwaar als vrouwtjes en hebben een zwaardere kop en dikke haarmanchetten op de voorpoten.

Gelijkende soorten

Binnen het Europese areaal komt geen andere beer voor. Een liggend dier aan land kan op afstand op een sneeuwhoop of een lichte steen lijken; let op de zwarte neus en de zwarte ogen, die als drie donkere punten zichtbaar zijn, en op beweging. Verwarring met de bruine beer is alleen mogelijk waar beide soorten voorkomen, en dat is in Europa nergens het geval. De bruine beer is bruin en heeft een duidelijke schoftbult, een kortere nek, een breder, gebold voorhoofd en grotere oren. Een vuilgele, natte ijsbeer kan in de nazomer bruin ogen, maar profiel en ontbrekende bult beslissen. Aangespoelde of vermagerde dieren zijn te herkennen aan het lange, slanke lichaam en de zeer grote poten.

Leefgebied

Zee-ijs boven de randen van het continentaal plat en van fjorden, waar de zeehonden leven, en de kust en toendra waar het ijs ontbreekt. De beste jachtgronden zijn niet de dikke, gesloten pakijsvelden maar de zones met wakken, drukruggen en jong ijs, waar ringelrobben ademgaten open moeten houden. In de zomer, wanneer het ijs zich terugtrekt, trekken de dieren op Spitsbergen naar de gletsjerfronten en de vogelkliffen of blijven ze aan land op de kale toendra, waar ze van eieren, jonge zeevogels, aas en zeewier leven en gewicht verliezen. De winterkuil wordt gegraven in dikke, vaste sneeuwbanken op de hellingen van kustheuvels en op de eilanden, vooral op Kong Karls Land ten oosten van Spitsbergen.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Rondom de Noordelijke IJszee, verdeeld over negentien deelpopulaties. De Europese deelpopulatie is die van de Barentszzee, die Spitsbergen met Bereneiland (Bjørnøya), Frans Jozefland en het zee-ijs daartussen omvat en op ongeveer twee- tot drieduizend dieren wordt geschat. Op het vasteland van Noorwegen, Finland en Rusland ten zuiden van de IJszee komt de soort niet voor. Van IJsland is een klein aantal dieren bekend dat met drijfijs uit Groenland is aangekomen; die worden er vrijwel altijd geschoten.

  • Inheems
Spitsbergen en Bereneiland (Bjørnøya) liggen op 74 tot 81°N en dus boven de bovenrand van het kaartvenster: op de hoofdkaart vallen ze buiten beeld. Voor de dieren van het pakijs is dat juist het gebied waar ze thuishoren, en daarom staan ze als kadertjes in de hoek van de kaart, in dezelfde kleuren als de hoofdkaart. Elk kadertje heeft zijn eigen schaal; ze staan niet op de schaal van de hoofdkaart. Eilandcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Overwegend dagactief, en het actiefst in de eerste helft van de dag. Jaagt bijna uitsluitend op zeehonden, en op Spitsbergen vooral op de ringelrob, daarnaast op baardrob en zadelrob: hij wacht roerloos bij een ademgat tot een rob bovenkomt en trekt hem met een klap van de voorpoot naar buiten, of hij besluipt op de buik schuivend een liggend dier, of hij breekt een sneeuwhol met een sprong door het dak in om het jong te grijpen. Een volwassen beer eet vooral het spek en laat het vlees vaak liggen. Alleenlevend, met enorme actieradius: een gezenderd dier kan in een jaar duizenden kilometers afleggen. Alleen de drachtige wijfjes houden winterrust; ze graven zich in november in een sneeuwhelling in en blijven daar zo'n vier maanden zonder eten of drinken. Rond nieuwjaar worden een of twee jongen geboren, blind en nauwelijks een halve kilo zwaar; in maart of april komt het gezin naar buiten en blijven de jongen tweeënhalf jaar bij de moeder. Alle andere ijsberen zijn de hele winter door actief. Wordt in het wild vijfentwintig tot dertig jaar oud.

Waar en wanneer kijken

De soort is in Europa alleen op Spitsbergen te zien, vanaf een schip of tijdens een georganiseerde tocht. Expeditiereizen langs de oostkust, door de Hinlopenstraat en naar de Sjuøyane in juli en augustus bieden de beste kans; de dieren worden dan meestal op de ijsrand of op een strand tussen het wrakhout gezien. Het beschermde gebied van Kong Karls Land, waar veel kraamholen liggen, mag door niemand worden betreden. Buiten Longyearbyen is het dragen van een vuurwapen wettelijk verplicht en gelden strikte afstandsregels: benader nooit een beer, ook niet met een boot, en houd honderden meters afstand. Een beer die een schip nadert, moet op afstand worden gehouden; zulke situaties lopen vooral voor de beer slecht af.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar (VU, 2015). De wereldpopulatie wordt op ongeveer zesentwintigduizend dieren geschat. Sinds het verdrag van 1973 is de jacht in alle vijf arctische staten aan quota gebonden; op Spitsbergen is de soort sinds 1973 volledig beschermd en is de populatie sindsdien hersteld. De belangrijkste bedreiging is nu het verdwijnen van het zee-ijs: elke week dat het ijs eerder verdwijnt en later terugkomt, kan een beer niet jagen en moet hij van zijn vetreserve leven. In verschillende deelpopulaties zijn de dieren daardoor lichter geworden en zijn er minder jongen. De Barentszzee is een van de snelst opwarmende zeeën ter wereld, maar de deelpopulatie daar wordt vooralsnog als stabiel beoordeeld; de beren zijn er van het verdwijnende fjordijs overgestapt op drijfijs verder naar het noorden. Daarnaast spelen vervuiling met pcb's en kwik, die zich in de vetlaag ophopen, toenemende scheepvaart en toerisme, en conflicten met mensen wanneer hongerige beren nederzettingen naderen.

Wetenschappelijke naam

Ursus maritimus | Phipps, 1774

Phipps beschreef de soort in 1774 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Ursus is het Latijnse woord voor 'beer'. maritimus is Latijn voor 'van de zee', bij mare 'zee'; Phipps trof de beer op het pakijs bij Spitsbergen aan. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Noorwegen, Spitsbergen.