Alle soorten › Knaagdieren › Springmuizen › Kleine woestijnspringmuis
Kleine woestijnspringmuis | Jaculus jaculus
Lesser Egyptian jerboa | Jaculus jaculus
De kleine woestijnspringmuis (Jaculus jaculus) is de algemeenste springmuis van de Sahara. Ze weegt 43 tot 73 gram, drinkt niet, legt in een nacht tot ongeveer tien kilometer af en verblijft overdag in een hol waarvan de ingang met een prop zand is afgesloten. De soort beweegt zich alleen op de achterpoten voort, zodat haar spoor in het zand bestaat uit paren achtervoetafdrukken zonder voorvoeten.
Sporen
Het spoor is 's ochtends vroeg het best te zien. Een springmuis zet alleen de achtervoeten neer: het spoor bestaat uit paren afdrukken met daartussen onverstoord zand, zonder voorvoeten en zonder sleepspoor van het lichaam. Elke afdruk is een drietenige prent van twee tot drie centimeter, met vooraan de drie tenen met spitse nagels en daarachter de veeg van de haarborstel onder de voet. De voet zelf is vijf tot ruim zeven centimeter lang, maar alleen de tenen dragen het gewicht; door de haarborstel blijft de afdruk ook in mul zand herkenbaar. De sprongafstand is het tweede kenmerk: bij rustige voortbeweging tien tot dertien centimeter, bij vlucht tot drie meter per sprong, zodat de paren dan ver uit elkaar liggen. In fijn, droog zand trekt de staart soms een dunne, doorlopende golflijn tussen de afdrukken. Waar het dier heeft gegraven of gegeten, staan de twee kleine voorvoetafdrukken naast elkaar, met een kuiltje en zaadhulzen. De holingang is overdag afgesloten: een rond gat met een prop zand die iets losser en donkerder is dan het omringende zand, meestal aan de voet van een pol of onder een struik. Ondergronds loopt de gang in een spiraal tot ongeveer 1,2 meter diep, met een of meer noodgangen die vlak onder het oppervlak eindigen; bij verstoring van de hoofdingang ontsnapt het dier via zo'n noodgang. Na ongeveer negen uur 's ochtends heeft de wind de sporen meestal uitgewist.

Herkenning
Een klein, zandkleurig knaagdier dat rechtop zit en op de achterpoten springt. Kop-romp negen tot elf centimeter, met zeer grote ogen, matig grote, afgeronde oren die duidelijk korter zijn dan bij de paardenspringmuizen, en een korte, brede snuit met lange snorharen. De bovenzijde is oker- tot zandkleurig, de buik en de binnenkant van de poten zuiver wit, en over de dij loopt een witte heupstreep die bij een zittend dier goed zichtbaar is. De achtervoet heeft drie tenen, met aan de onderzijde borstels van stijve haren die het wegzakken in los zand beperken. De staart is met dertien tot vijfentwintig centimeter veel langer dan het lichaam, dun, en eindigt in een platte zwart-witte pluim: een zwarte band met een witte punt. De voorpoten zijn zeer klein, worden tegen de borst gehouden en alleen bij graven en eten gebruikt.
Gelijkende soorten
In Noord-Afrika komt ook de reuzenwoestijnspringmuis voor, met dezelfde bouw maar twee tot drie keer zo zwaar (134–139 tegen 43–73 gram), grover en grijzer, en met een voorkeur voor de vastere, meer begroeide steppebodems aan de noordrand van de Sahara boven open zand. Op afstand, in het licht van een koplamp, is dat verschil niet altijd vast te stellen, en een losse springmuis 's nachts is vaak niet met zekerheid te determineren; formaat en bodemtype samen geven de beste aanwijzing. Verwarring is ook mogelijk met renmuizen en gerbils (Gerbillus, Meriones, Pachyuromys), die eveneens zandkleurig zijn en een lange staart hebben, maar zich op vier poten voortbewegen, veel kortere achterpoten hebben en een behaarde staart zonder zwart-witte pluim. In het spoor is het verschil eenduidig: een renmuis laat in een sprongpatroon voor- en achtervoetafdrukken achter, de springmuis alleen achtervoeten. De Noord-Afrikaanse olifantspitsmuis heeft een beweeglijke snuit en rent in plaats van te springen.
Leefgebied
Woestijn en halfwoestijn, zowel zandig als steenachtig. De soort is het talrijkst op overgangen: de voet van een duin, de rand van een wadi, vlakke hamada met verspreide struiken, zoutvlakten met sebkharanden en de akkerstroken rond oases. Kaal, hard grind biedt te weinig voedsel en hoge duinen zijn te los; nodig zijn los zand om in te graven en verspreide vegetatie als voedsel. De soort komt ook voor in cultuurland, op braakliggende akkers en langs woestijnpistes.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
De hele Sahara, van Marokko en Mauritanië tot Egypte en Soedan, en verder de Sahel, het Arabisch Schiereiland en de Levant. Het noordelijke deel van het areaal omvat de Maghreb en Noordoost-Afrika: Marokko, Algerije, Tunesië, Libië en Egypte ten noorden van 29°N, de Sinaï, de Negev en Zuid-Jordanië. Daar is ze de algemeenste springmuis en een van de talrijkste woestijnzoogdieren; GBIF bevat voor dat gebied ruim dertienhonderd waarnemingen, veel meer dan van enige andere springmuis. Op het Europese vasteland komt de soort niet voor.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Strikt nachtactief en solitair. Na het invallen van de duisternis komt het dier boven de grond en legt al springend en foeragerend een grote afstand af, tot ongeveer tien kilometer van het hol. Het voedsel bestaat uit zaden, korrels, wortels, sappige delen van woestijngrassen, insecten en woestijntruffels (Terfezia), die na de winterregens worden uitgegraven. De soort drinkt niet: het vocht uit groene plantendelen en insecten volstaat, en de nieren zijn daaraan aangepast. Bij grote hitte of droogte trekt het dier zich in het hol terug in zomerslaap; in het noorden van het areaal wordt aangenomen dat het in de koudste weken ook een winterrust houdt, in een aparte kamer van het holenstelsel. Het hol heeft meerdere in- en uitgangen, voorraadkamers en onderin een nestkamer. Voortplanting ten minste twee keer per jaar, in juni en juli en opnieuw van oktober tot december, met een draagtijd van 25 tot 45 dagen en een tot zes, gemiddeld drie jongen. Die zijn na zes weken gespeend, na acht tot tien weken zelfstandig en na acht tot twaalf maanden geslachtsrijp. De levensduur in het wild is twee tot vier jaar, in gevangenschap meer dan zes.
Waar en wanneer kijken
Er zijn twee methoden. 's Nachts: rijd stapvoets met koplampen over een woestijnpiste in Zuid-Marokko, Tunesië of de Westelijke Woestijn van Egypte, bij voorkeur in de eerste twee uur na zonsondergang, en let op rode oogreflectie en zijwaartse sprongen in de lichtbundel. Overdag: loop bij het eerste licht, vóór ongeveer negen uur, langs een duinvoet of een zandige wadibodem en volg de sporen van de afgelopen nacht. Een reeks paren leidt naar de afgesloten holingang; markeer die met een steen en wacht er de volgende avond na zonsondergang. Graaf het hol niet open.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2021). Het areaal is zeer groot, de aantallen zijn hoog en de soort leeft in landschappen die door de mens weinig worden veranderd. Waar woestijn wordt ontgonnen of overbegraasd, nemen de aantallen plaatselijk af, en langs woestijnpistes vallen verkeersslachtoffers; geen van beide heeft gevolgen voor de soort als geheel. De soort wordt als proefdier gebruikt en in de terrariumhandel verhandeld, zonder aantoonbaar gevolg voor de populaties.
Wetenschappelijke naam
Jaculus jaculus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Mus Jaculus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Jaculus is Latijn voor 'geworpen, wegschietend', bij iacere 'werpen'; bij de Romeinen was het ook de naam van een pijlsnelle slang. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Egypte, Giza Pyramids.




