Alle soorten › Knaagdieren › Springmuizen › Reuzenwoestijnspringmuis

Reuzenwoestijnspringmuis | Jaculus orientalis

Greater Egyptian jerboa | Jaculus orientalis

De reuzenwoestijnspringmuis is de grote springmuis van de noordrand van de Sahara. Hij is twee tot drie keer zo zwaar als de kleine woestijnspringmuis en maakt sprongen tot drie meter lang en een meter hoog. Hij houdt een diepe winterslaap, waarbij de lichaamstemperatuur tot ongeveer tien graden daalt en het hart negen keer per minuut slaat. Zijn spoor is hetzelfde tweevoetige spoor als dat van de andere springmuizen, maar groter.

Reuzenwoestijnspringmuis (Jaculus orientalis)
Foto: Elias Neideck — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Het spoor is hetzelfde als bij de andere springmuizen, maar groter en daardoor vaak het gemakkelijkst te vinden. Hij zet alleen de achtervoeten neer: paren drietenige prenten met glad zand ertussen, zonder voorvoeten en zonder sleepspoor. De sprong is lang — een vluchtend dier springt anderhalve tot drie meter ver en een meter hoog — zodat het spoor uit ver uiteen liggende paren bestaat; het volgende paar ligt soms buiten het gezichtsveld en is te vinden in het verlengde van de laatste twee. Op vaste, korrelige grond drukt hij minder diep af dan de kleine soort in los zand, en blijven soms alleen de drie nagelpunten zichtbaar. Waar hij heeft gegeten, staan de twee voorvoeten naast elkaar bij een uitgegraven kuiltje met wortelresten. Het hol is groter dan dat van de kleine soort en wordt in vaste grond gegraven: een gang van 1 tot 2,5 meter lang die 0,75 tot 1,75 meter diep reikt, met de ingang overdag dichtgestopt. Het winterhol ligt het diepst. Zoek vóór negen uur 's ochtends, voordat de wind de sporen heeft uitgewist.

Herkenning

Een fors, zandgrijs tot okerkleurig knaagdier met de bouw van een springmuis: kop-romp tot 16 cm en een gewicht van 134 tot 139 gram, twee tot drie keer zo zwaar als de kleine woestijnspringmuis. Grote ogen, afgeronde oren, een korte, brede snuit met lange snorharen, en achterpoten die ongeveer vier keer zo lang zijn als de voorpoten. De achtervoet heeft drie tenen met haarborstels aan de onderzijde. De staart is langer dan het lichaam, dun, en eindigt in een plat zwart-wit vaantje. De vacht is grover en doffer dan bij de kleine soort, met minder zuiver wit op de flank; de buik is wit. Hij beweegt zich springend voort, met het lichaam rechtop; de staart dient voor het evenwicht en ondersteunt het dier bij het zitten.

Gelijkende soorten

De enige soort waarmee verwarring reëel is, is de kleine woestijnspringmuis, die dezelfde vorm heeft en in een groot deel van Noord-Afrika naast hem voorkomt. Het verschil is grootte en gewicht: 134 tot 139 gram tegen 43 tot 73, en een kop-romplengte tot 16 cm tegen hoogstens 11 cm. In de hand is dat direct duidelijk, in het veld en zeker in het licht van een koplamp meestal niet; een losse springmuis 's nachts wordt dan als Jaculus genoteerd. De bodem geeft een aanwijzing: de reuzenwoestijnspringmuis kiest vastere, meer begroeide grond — steppe, hoogvlakte, akkerrand, wadibodem met struiken — terwijl de kleine soort open, los zand van duinvoet en hamada bewoont. In het spoor is de sprong langer en de prent breder, maar zonder maatstok en zonder een tweede spoor ter vergelijking is dat geen bewijs. Verder is verwarring alleen mogelijk met renmuizen, die op vier poten rennen en geen tweekleurig staartvaantje hebben.

Leefgebied

De vastere, minder extreme woestijnrand: steppe en halfwoestijn met verspreide struiken, hoogvlakten, wadibodems, zoutsteppe met sebkharanden, zandige kuststroken, en ook akkerland en de rand van bebouwing. Hij is veel minder aan los stuifzand gebonden dan de kleine woestijnspringmuis en leeft vooral aan de mediterrane zijde van de Sahara, in het gebied tussen de Atlas en de eigenlijke woestijn, waar het 's winters regent en 's zomers droog is.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

De noordrand van de Sahara en de Levantijnse woestijn: Marokko, Algerije, Tunesië, Libië en Egypte, verder de Sinaï en Zuid-Israël. Vrijwel het hele areaal ligt daarmee binnen het gidsgebied. In de Negev is hij mogelijk verdwenen. GBIF bevat binnen het gidsgebied ongeveer vijfhonderd waarnemingen, tegen ruim dertienhonderd voor de kleine woestijnspringmuis; dat past bij het beeld dat hij overal de schaarsere van de twee is. In Europa komt hij niet voor.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Nachtactief: hij komt bij het laatste schemerlicht boven de grond en verdwijnt bij het eerste daglicht. Hij is in sterkere mate planteneter dan de kleine woestijnspringmuis: sappige wortels, scheuten, zaden, graankorrels en soms landbouwgewassen, met af en toe een insect. Hij houdt een diepe winterslaap: de lichaamstemperatuur daalt van 37 graden tot ongeveer 10 graden, en de hartslag van ongeveer driehonderd tot ongeveer negen slagen per minuut. Hij ligt dan opgerold in de diepste kamer van een hol dat 0,75 tot 1,75 meter onder het oppervlak ligt en 1 tot 2,5 meter lang is. De voortplanting valt tussen februari en juli; na een draagtijd van ongeveer veertig dagen worden twee tot acht, gemiddeld drie jongen geboren, en anders dan de kleine woestijnspringmuis heeft hij slechts één worp per jaar. In gevangenschap wordt hij ouder dan zes jaar; over de leeftijd in het wild is niets bekend.

Waar en wanneer kijken

Zoek hem waar de woestijn overgaat in steppe: de hoogvlakten van Midden-Marokko, de Algerijnse en Tunesische steppe ten zuiden van de Atlas, de rand van de Egyptische Westelijke Woestijn. Rijd in het eerste uur na donker stapvoets over een piste en let op oogreflecties; een opgeschrikt dier maakt één hoge sprong en is dan verdwenen. Warme, windstille voorjaarsnachten zijn het meest geschikt, omdat hij dan net uit de winterslaap is en volop actief. Van november tot in februari ligt hij onder de grond. Overdag zijn sporen de beste bron: loop bij het eerste licht een wadibodem af en zoek naar paren prenten die anderhalve meter of meer uit elkaar liggen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2016). Het areaal is groot, de soort verdraagt akkerland en is niet van één landschapstype afhankelijk. Hij is wel vrijwel overal de minst talrijke van de twee Noord-Afrikaanse springmuizen, en in de Negev, aan de noordoostrand van het areaal, waar het landschap het sterkst is veranderd, wordt hij als mogelijk uitgestorven beschouwd. Zijn voorkeur voor vastere, en dus gemakkelijker te ontginnen, bodems maakt hem gevoeliger voor omzetting in akkerland. Verder zijn de bedreigingen lokaal: omzetting van steppe in akker, overbeweiding en vergiftiging in landbouwgebied.

Wetenschappelijke naam

Jaculus orientalis | Erxleben, 1777

Erxleben beschreef de soort in 1777 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Jaculus is Latijn voor 'geworpen, wegschietend', bij iacere 'werpen'; bij de Romeinen was het ook de naam van een pijlsnelle slang. orientalis is Latijn voor 'oostelijk', bij oriens 'opkomende zon, oosten'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Egypte.