Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Laatvlieger

Laatvlieger | Cnephaeus serotinus

Eurasian Serotine | Murciélago hortelano

De laatvlieger is een van de grootste vleermuizen van Midden- en West-Europa: onderarm 48 tot 58 mm, gewicht 18 tot 25 gram, spanwijdte ongeveer 37 cm. De soort stond tot 2023 als Eptesicus serotinus bekend; Cláudio en collega's brachten in dat jaar de Oude-Wereldsoorten van Eptesicus onder in het geslacht Cnephaeus Kaup, 1829, en de Mammal Diversity Database volgt die indeling. Oudere literatuur en de meeste determinatietabellen gebruiken nog de naam Eptesicus. De kraamkolonies zitten vooral in gebouwen; de dieren jagen in de schemering langs bosranden, boven weiland en rond straatlantaarns.

Laatvlieger (Cnephaeus serotinus)
Foto: Nicolas Vervelle — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Kraamkolonies zitten in gebouwen: in spouwmuren, achter dakbeschot en -betimmering, in nokken en grote holle ruimten onder het dak; soms in boomholten of rotsspleten. De ingang is een smalle spleet, en onder de invliegopening of op de zolder hoopt zich mest op; de keutels zijn groter dan die van dwergvleermuizen en bevatten veel resten van kevers. De dieren verlaten het verblijf ongeveer twintig minuten na zonsondergang, vroeger dan de meeste andere soorten. Bij het uitvliegen zijn de grote, breedvleugelige dieren tegen de schemerhemel te zien. Op de batdetector klinken de roepen bij 25 tot 30 kHz als onregelmatige, droge klappen. In de zoogperiode is er een tweede activiteitspiek rond de ochtendschemering.

Herkenning

Een grote, stevig gebouwde vleermuis met brede vleugels en een trage, maar wendbare vlucht met korte glijstukken, meestal op 10 tot 15 m hoogte langs bosranden en heggen, soms tot 30 m. De rugvacht is lang en zijdeachtig, rookbruin met een gelige glans (haren met gele punt en donkere basis), bij sommige dieren donkerbruin tot roodachtig; de buik is lichter, grijs tot vaalbruin. Snuit, oren en vlieghuiden zijn donkerbruin tot zwartachtig. De oren zijn middelhoog en driehoekig met afgeronde punt; de tragus is korter dan de halve oorlengte, stomp gepunt. De staart steekt 3 tot 5 mm buiten de staartvlieghuid uit. De zoekroepen zijn frequentiegemoduleerd met een vrijwel constant eind (FM/QCF), met de piek doorgaans tussen 23 en 44 kHz: in Groot-Brittannië gemiddeld rond 34 kHz, in Spanje 22,7 tot 28,8 kHz. Het ritme is onregelmatig.

Gelijkende soorten

De noordse vleermuis (Cnephaeus nilssonii) is kleiner (onderarm 37 tot 44 mm) en heeft goudkleurige haarpunten op een donkerbruine tot zwartachtige rug. In het zuiden van het Iberisch Schiereiland en in de Maghreb leeft Cnephaeus isabellinus, lange tijd als ondersoort van de laatvlieger beschouwd; beide zijn uitwendig en op de batdetector niet betrouwbaar te scheiden, en de toewijzing berust op herkomst en DNA. Op Rhodos, Cyprus en in Zuid-Turkije komt C. anatolicus voor, met een lichtere, crèmekleurige vacht. De rosse vleermuis (Nyctalus noctula, onderarm 47 tot 60 mm) is even groot, maar heeft smalle, spitse vleugels, een roodbruine vacht en een snelle, hoge vlucht; de bosvleermuis (N. leisleri) en de tweekleurige vleermuis (Vespertilio murinus) zijn kleiner. Op de detector overlappen de roepen van laatvlieger, noordse vleermuis, Nyctalus-soorten en tweekleurige vleermuis; ze worden vaak samen als groep genoteerd.

Leefgebied

De soort komt voor in half open cultuurlandschap, weiland (vaak boven grazend vee), bosranden, parken en tuinen met oude bomen, oeverbegroeiing en bebouwd gebied; in het zuiden en oosten van het areaal ook in halfwoestijn en struweel. Het handboek noemt hoogten van zeeniveau tot ongeveer 1440 m. Gejaagd wordt in open ruimte: langs bosranden, hoge heggen en boomrijen, boven weiden en boomgaarden, rond straatlantaarns en boven water. De jachtgebieden liggen meestal 4 tot 12 km van het verblijf.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

In het gidsgebied het grootste deel van Europa: Zuid-Groot-Brittannië, het noorden en midden van het Iberisch Schiereiland oostwaarts tot Zuidwest-Rusland, de Kaukasus en Noord- en Oost-Turkije, met de uiterste zuidpunt van Scandinavië als noordgrens, en eilanden als de Balearen, Corsica, Sardinië, Sicilië, Korfoe, Lesbos, Samos, Kreta en Rodos. De ondersoort mirza leeft in Zuid-Turkije, West-Syrië, Libanon en Israël; turcomanus in Centraal-Azië. In het zuiden van Portugal en Spanje en in Noord-Afrika wordt de laatvlieger vervangen door C. isabellinus. Waar precies de grens tussen de laatvlieger en C. pachyomus in Iran en verder oostelijk ligt, is nog niet vastgesteld.

Levenswijze

De laatvlieger jaagt in de lucht, maar pakt ook insecten van de vegetatie of van de grond. Het voedsel bestaat vooral uit kevers (mestkevers, meikevers), aangevuld met nachtvlinders, wantsen en tweevleugeligen, meestal prooien van 5 tot 25 mm. Per nacht bezoekt een dier tot tien jachtplekken. Kraamkolonies tellen gewoonlijk 10 tot 60 vrouwtjes, uitzonderlijk tot 300, en bestaan van mei tot augustus; de temperatuur in het verblijf ligt rond 22 °C. Mannetjes leven alleen of in groepjes tot 20. De paring valt in september en oktober; het sperma wordt in de vrouwtjes bewaard tot het voorjaar. De draagtijd is gemiddeld ongeveer 52 dagen en het enige jong (tweelingen zijn uitzonderlijk) wordt rond half juni geboren; het vliegt na ongeveer drie weken en is na zes tot zeven weken gespeend. De soort geldt als honkvast: de langste bekende verplaatsing is ongeveer 330 km. De winterslaap wordt meestal alleen doorgebracht, in spleten in muren, gebouwen of rotsen, soms dicht bij de ingang van een grot; veel dieren blijven in of vlak bij het zomerverblijf. De hoogste bekende leeftijd is 19,5 jaar.

Waar en wanneer kijken

De beste kans is in juni en juli bij een bekend verblijf: ga twintig minuten na zonsondergang bij het gebouw staan en tel de dieren die uit de spleet tevoorschijn komen. Daarna zijn laatvliegers in de schemering te zien langs bosranden en boven weilanden, en rond straatlantaarns aan de rand van dorpen. Met een detector is een reeks onregelmatige roepen rond 25 tot 30 kHz een aanwijzing, geen sluitend bewijs: de Nyctalus-soorten en de tweekleurige vleermuis roepen in dezelfde band. In het zuiden van Spanje en Portugal kun je een laatvliegerachtige vleermuis zonder genetisch onderzoek alleen als Cnephaeus spec. noteren.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2021). De soort is over een groot deel van het areaal algemeen. De trend verschilt per land: in Denemarken lijken de aantallen toe te nemen, in Groot-Brittannië, Oostenrijk en het Pannonisch Bekken af te nemen; in Oostenrijk wordt een afname van ongeveer 70 procent genoemd, en daar is de soort uit de laaglanden in het oosten verdwenen. Als oorzaken worden verstoring van verblijven, onder meer bij renovatie en na-isolatie van gebouwen, verlies en versnippering van leefgebied en een afname van grote insecten genoemd. De laatvlieger staat in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en valt onder de Conventie van Bern en het EUROBATS-verdrag.

Wetenschappelijke naam

Cnephaeus serotinus | (von Schreber, 1774)

Von Schreber beschreef de soort in 1774 als Vespertilio serotinus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Cnephaeus is Grieks, van knephaios 'duister, van de schemering', bij knephas 'schemer'; Kaup gaf de naam in 1829, en hij is pas onlangs weer in gebruik genomen. serotinus is Latijn voor 'laat, avondlijk', bij serus 'laat', naar het jagen in de avondschemering. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Frankrijk.