Alle soorten › Evenhoevigen › Holhoornigen › Manenschaap

Manenschaap | Ammotragus lervia

Barbary sheep | Ammotragus lervia

Het manenschaap (Ammotragus lervia) is een wild schaapachtig hoefdier van de droge gebergten van Noord-Afrika en de Sahara. In het gidsgebied is het inheems in de Maghreb en in Egypte en Libië. Sinds 1970 leeft het ook in het zuidoosten van Spanje, waar het voor de jacht is uitgezet en sindsdien als invasieve exoot geldt.

Manenschaap (Ammotragus lervia)
Foto: Tomphillipspcs — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

De prent is tweetenig en gelijkt op die van een huisgeit; in het veld is het onderscheid niet met zekerheid te maken. De keutels zijn donkere bolletjes in hoopjes, eveneens niet te onderscheiden van die van geit en steenbok. Rustplaatsen liggen onder overhangende rotsen en in grotjes, met keutels en losse haren.

Herkenning

Een fors, zandkleurig tot roodbruin hoefdier met een kop-romplengte van 130 tot 165 cm, een schouderhoogte van 75 tot 110 cm en een gewicht van 30 tot 145 kg; rammen zijn veel zwaarder dan ooien. De buik is lichter, over de rug loopt een donkerder lijn. Het kenmerk is de lange franje van haar aan keel, borst en voorpoten, bij de ram veel langer dan bij de ooi. Beide seksen dragen dikke hoorns met een driehoekige doorsnede, die eerst opzij, dan naar achteren en ten slotte naar binnen buigen; bij oude rammen zijn ze tot ruim 50 cm lang. Het dier heeft geen baard en geen donkere tekening op kop of poten. De staart is 15 tot 20 cm lang, langer dan bij schapen en geiten.

Gelijkende soorten

In het zuidoosten van Spanje leeft het manenschaap in dezelfde gebergten als de Spaanse steenbok. De bok van de steenbok heeft een donkere baard, zwarte vlekken op poten en flanken en hoorns die omhoog en naar achteren staan; het manenschaap is egaal zandbruin, heeft de keelfranje en hoorns die in een halve cirkel opzij en naar achteren buigen. De moeflon is kleiner, roodbruin met een lichte zadelvlek en een witte buik, zonder keelfranje. Vrijlopende huisgeiten hebben meestal een baard en een bonte of zwarte vacht.

Leefgebied

Droge, rotsige gebergten, kloven en steile hellingen met schaarse begroeiing, van de Atlas tot de massieven van de Sahara. In Spanje bewoont het manenschaap steile kalkgebergten met mediterraan struweel, garrigue en open naaldbos. Het mijdt vlak, open terrein zonder rotsen.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Het natuurlijke areaal strekt zich uit over Marokko, Algerije, Tunesië, Libië en Egypte en zuidwaarts over de Saharamassieven tot Mauritanië, Mali, Niger, Tsjaad en Sudan, in verspreide populaties die als zes ondersoorten zijn beschreven. In Spanje werd de soort in 1970 voor de jacht uitgezet in de Sierra Espuña (Murcia), met dieren uit de dierentuinen van Casablanca en Frankfurt; in 1972 werden vijftien dieren uitgezet in het noorden van La Palma (Canarische Eilanden). Het manenschaap heeft zich sindsdien verspreid over de provincies Murcia, Alicante, Almería, Granada en Jaén, deels vanuit ontsnappingen uit jachtomheiningen. Uit Kroatië (Mosor) wordt eveneens een uitgezette populatie gemeld. Buiten het gidsgebied is de soort uitgezet in de Verenigde Staten, onder meer in Texas.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Het manenschaap is vooral actief in de koele uren van de ochtend en de avond en rust in de middag in de schaduw van rotsen. Het leeft alleen of in kleine groepen en trekt over grote afstanden rond. Het voedsel bestaat uit gras, struiken, acaciablad en korstmossen. Het dier springt vanuit stilstand over een hindernis van twee meter. De bronst valt van september tot november; na een draagtijd van ongeveer 160 dagen wordt tussen maart en mei één jong geboren, zelden twee of drie. De jongen zijn na drie tot vier maanden gespeend en na achttien maanden geslachtsrijp. Manenschapen kunnen twintig jaar oud worden.

Waar en wanneer kijken

In Spanje is de Sierra Espuña het gebied met de langste geschiedenis van de soort; zoek bij zonsopgang met een telescoop de rotswanden en steile hellingen af vanaf de uitzichtpunten langs de boswegen. De dieren staan vaak roerloos op een richel en vallen pas op als ze bewegen. In de Maghreb is de soort schaars en schuw door de jacht; grotere kansen zijn er in beschermde gebieden in het Atlasgebergte en het Tunesische Nationaal Park Chambi.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar (VU, 2021). In het natuurlijke areaal zijn legale en illegale jacht, verlies van leefgebied, verwilderde honden, overbegrazing door vee en droogte de oorzaken van de achteruitgang. In Spanje staat de soort sinds het Koninklijk Besluit 630/2013 in de Spaanse catalogus van invasieve exoten; de uitzondering voor de populaties in Murcia werd in 2016 door het Tribunal Supremo vernietigd, zodat de soort in heel Spanje als invasief geldt en het bezit, vervoer en uitzetten verboden zijn. Op La Palma beschadigt het manenschaap de inheemse eilandflora, vooral in het Nationaal Park Caldera de Taburiente. Of de schade op het Spaanse vasteland groter is dan die van inheemse hoefdieren, is onderwerp van wetenschappelijke discussie.

Wetenschappelijke naam

Ammotragus lervia | (Pallas, 1777)

Pallas beschreef de soort in 1777 als Antilope lervia; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Ammotragus is Grieks, van ammos 'zand' en tragos 'bok': de bok van de woestijn. lervia gaat terug op lerwee, de inheemse naam die de Engelse reiziger Thomas Shaw in zijn beschrijving van de Berberse kustlanden optekende. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Noord-Afrika.