Alle soorten › Vleermuizen › Langvleugelvleermuizen › Miniopterus maghrebensis

Miniopterus maghrebensis | Miniopterus maghrebensis

Maghrebian Long-fingered Bat | Miniopterus maghrebensis

Miniopterus maghrebensis is in 2014 beschreven als afzonderlijke soort binnen het Miniopterus schreibersii-complex, op grond van genetische verschillen en schedelmaten. De soort is bekend uit Marokko en het noorden van Tunesië en komt daar samen voor met de langvleugelvleermuis, waarvan zij uitwendig niet te onderscheiden is. Over levenswijze, voortplanting en echolocatie is weinig gepubliceerd dat met zekerheid aan deze soort kan worden toegeschreven.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

Zoals bij de langvleugelvleermuis liggen de sporen in grotten en andere ondergrondse ruimten: mest onder de hangplaatsen, fijn en brokkelend tot insectengruis, en donkere verkleuring van het plafond boven langjarig gebruikte hangplekken. De dieren hangen in dichte trossen tegen het plafond. Kolonies tellen tot ongeveer 400 dieren. Omdat beide Miniopterus-soorten in de Maghreb dezelfde soort verblijven gebruiken, is aan sporen alleen niet vast te stellen om welke soort het gaat; ook gemengde kolonies zijn niet uitgesloten.

Herkenning

In bouw gelijk aan de langvleugelvleermuis: een korte, gewelfde kop met korte snuit, kleine, driehoekige oren en een lange, smalle vleugel waarvan het tweede lid van de derde vinger in rust wordt teruggevouwen. De rugvacht is kastanjebruin tot donker grijsbruin, de buik lichtbruin; de vlieghuiden zijn donkerbruin tot donker grijsbruin. Aan het holotype zijn gemeten: kop-romplengte 60 mm, staart 63 mm, oor 13,4 mm, tragus 6,3 mm; de onderarm meet 45 tot 48 mm. Een lichaamsgewicht is in de soortbeschrijving niet opgenomen. De diagnostische verschillen met M. schreibersii liggen in de schedel: een bredere snuit (breedte tussen de oogkasopeningen 4,0 tot 4,4 mm, 0,27 tot 0,28 van de schedellengte tegen 0,24 tot 0,27), een hogere hersenkapsel (7,7 tot 8,4 mm), een duidelijke knobbel op de onderkaak en forsere kleine hoektanden. Deze kenmerken zijn alleen aan een schedel of met röntgenopnamen vast te stellen. Echolocatiegegevens zijn in de soortbeschrijving niet opgenomen.

Gelijkende soorten

De langvleugelvleermuis (M. schreibersii) komt in de Maghreb in hetzelfde gebied voor en is in het veld niet van M. maghrebensis te scheiden; de bruinere vachtkleur van M. maghrebensis overlapt met de variatie van de langvleugelvleermuis. De scheiding berust op mitochondriaal en nucleair DNA en op de schedelkenmerken bij Herkenning. De mitochondriale afstand tussen beide soorten is klein (gemiddeld 1,2 %), maar microsatellietonderzoek wijst op twee sterk gescheiden genenpoelen. Alle oudere Noord-Afrikaanse vermeldingen van M. schreibersii moeten volgens de beschrijvers opnieuw worden beoordeeld. Andere grotvleermuizen in hetzelfde gebied, zoals Myotis punicus, Capaccini's vleermuis en de hoefijzerneuzen, hebben langere oren met een rechte tragus of een neusblad en een kortere derde vinger.

Leefgebied

Mediterraan struweel en droog bos, steppen en andere halfwoestijnlandschappen op 300 tot 1200 m hoogte. In Marokko is de soort vooral uit de drogere, zuidelijke streken bekend, onder meer ten zuiden van de Hoge Atlas; de typelocatie ligt in een grot in de Er Rachidia-provincie, aan de rand van de Sahara. Als verblijf dienen grotten en andere ondergrondse ruimten. Op grond van de vleugelvorm wordt aangenomen dat de soort in open ruimte jaagt: boven open plekken, boven bomen en boven water.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Bekend uit het midden en zuidwesten van Marokko (Midden- en Hoge Atlas, van het noorden van het land tot ten zuiden van de Hoge Atlas) en uit het noorden van Tunesië. Mogelijk komt de soort aaneengesloten voor in het grootste deel van het mediterrane deel van Noord-Afrika, inclusief Algerije, maar daar is zij genetisch nog niet bevestigd. Het hele bekende areaal ligt binnen het gidsgebied. Omdat eerdere gegevens onder M. schreibersii werden gepubliceerd, is de verspreiding van beide soorten in de Maghreb nog niet in kaart gebracht.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Vermoedelijk nachtactief. De soort gaat in de herfst in torpor, legt in het najaar vetreserves aan en houdt winterslaap in grotten. Op grond van de vleugelbouw wordt aangenomen dat zij in tamelijk snelle vlucht vliegende insecten vangt; onderzoek naar het voedsel van genetisch gedetermineerde dieren is niet gepubliceerd. Uit Algerije is een brede spreiding van geboortedata gemeld, van half april tot eind juni, maar het is niet vastgesteld of die gegevens op M. maghrebensis, M. schreibersii of beide betrekking hebben. Kolonies tellen tot ongeveer 400 dieren.

Waar en wanneer kijken

Een Miniopterus in de Maghreb is in het veld niet op soort te brengen en wordt als Miniopterus spec. genoteerd, tenzij er DNA is onderzocht. Het uitvliegen bij een grotingang in de zomer is de manier om de dieren te zien zonder ze te verstoren; een batdetector registreert de signalen, maar die maken geen scheiding met de langvleugelvleermuis mogelijk. Grotten met kolonies worden in de kraamtijd en in de winter niet betreden. Nieuwe vindplaatsen, vooral in Algerije, dragen bij aan de afbakening van het areaal; een onderzoeker met vergunning kan een huidbiopt voor DNA-onderzoek nemen zonder het dier te doden.

Staat van instandhouding

Gevoelig (NT, 2017). De beoordeling gaat ervan uit dat de huidige mate van verstoring binnen vijftien jaar tot een afname van het leefgebied van ten minste 30 % leidt, en dat de bekende verblijven door menselijke activiteiten worden bedreigd. Omdat de soort pas in 2014 is beschreven en haar areaal niet vaststaat, berust de beoordeling op een beperkt aantal bekende vindplaatsen.

Wetenschappelijke naam

Miniopterus maghrebensis | Puechmaille, Allegrini, Benda, Bilgin, Ibáñez, & Juste in Puechmaille, Allegrini, Benda, Gürün, Šrámek, Ibáñez, Juste, & Bilgin, 2014

Puechmaille, Allegrini, Benda, Bilgin, Ibáñez, & Juste in Puechmaille, Allegrini, Benda, Gürün, Šrámek, Ibáñez, Juste, & Bilgin beschreef de soort in 2014 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Miniopterus is Grieks, van minyos 'klein' (bij minythein 'verminderen') en pteron 'vleugel'; Bonaparte licht de naam niet toe, maar vermoedelijk doelt hij op het sterk verkorte eerste kootje van de derde vinger, waardoor de lange vleugelpunt terugvouwt. maghrebensis betekent 'van de Maghreb', het Arabische al-Maghrib 'het westen, waar de zon ondergaat', de naam voor Noordwest-Afrika. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Marokko, Er-Rachidia.