Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › Muskusrat

Muskusrat | Ondatra zibethicus

Muskrat | Ondatra zibethicus

De muskusrat is een uit Noord-Amerika afkomstig waterknaagdier dat in Europa als invasieve exoot is gevestigd. In 1905 liet vorst Colloredo-Mansfeld twee mannetjes en drie vrouwtjes los in de vijvers van zijn slot in Dobříš bij Praag; van deze dieren stamt het grootste deel van de Europese en een deel van de Aziatische populatie af. De soort graaft gangen in oevers, dijken en kaden en wordt daarom in verscheidene landen, vooral in Nederland, op grote schaal bestreden.

Muskusrat (Ondatra zibethicus)
Foto: Cephas — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Sporen worden meestal eerder gevonden dan het dier. Het bekendst is de burcht: een kegel van opgehoopte riet-, lisdodde- en zeggestengels met modder, tot een meter hoog en anderhalf tot twee meter breed, in ondiep water gebouwd, met de ingang onder water en de nestkamer erboven. Een muskusrattenburcht is kleiner en bestaat uit veel meer plantaardig en veel minder houtig materiaal dan een beverburcht; hij is het best zichtbaar na de eerste nachtvorst, wanneer het riet plat ligt. Waar de oever hoog genoeg is, graaft de soort een oeverhol: een pijp van 10 tot 15 cm doorsnede die onder water begint en schuin omhoog loopt naar een droge nestkamer, met gangenstelsels die meters ver het talud in kunnen gaan. Zulke gangen verzwakken dijken, kaden en oevers, vooral in het rivierengebied van Nederland en Duitsland; boven een gang kan de grond wegzakken tot een langgerekte verzakking of een gat waarin een trekker of een koe kan wegzakken. Verder zijn er vraatplekken en voedselplatforms: kleine drijvende of half drijvende hoopjes afgebeten stengels, waarop de muskusrat zit te eten; de wortelstokken en sappige stengelvoeten worden gegeten, bladeren en toppen blijven liggen. Een spoor van afgebeten lisdoddestengels dat het water in loopt, is een sterke aanwijzing. In riet ontstaan zwemgeulen en vaste wissels naar de oever. De prent is klein en stervormig: de achtervoet is 6 tot 8 cm lang, met vijf lange, gespreide tenen en duidelijke nagelafdrukken; de voorvoet is kleiner en toont vier tenen. In zacht slik of sneeuw ligt tussen de prenten vaak een sleepspoor van de staart. De keutel is donker, glad en worstvormig, ongeveer een centimeter lang, en ligt vaak in groepjes op een steen, paaltje, boomstam of drijvend plankje langs de oever.

Muskusrat, burcht in ondiep water aan de oever (chalco hills, nebraska): een kegel van opgehoopte moerasplanten en modder, met onderaan de donkere ingang — geheel plantig en zonder takken, anders dan een beverburcht
Burcht in ondiep water aan de oever (Chalco Hills, Nebraska): een kegel van opgehoopte moerasplanten en modder, met onderaan de donkere ingang — geheel plantig en zonder takken, anders dan een beverburcht · Foto: MONGO — Public domain · Wikimedia Commons
Muskusrat, prent in nat slik, seedskadee, wyoming: vijf lange, dun uitgespreide tenen met duidelijke nagelpunten, sterachtig uiteen — de achtervoet van de muskusrat
Prent in nat slik, Seedskadee, Wyoming: vijf lange, dun uitgespreide tenen met duidelijke nagelpunten, sterachtig uiteen — de achtervoet van de muskusrat · Foto: USFWS Mountain-Prairie — Public domain · Wikimedia Commons
Muskusrat, loopspoor op een zandige oever in duitsland: de sterachtige prenten met lange, gespreide tenen zijn van de muskusrat, de driestralige prenten ertussen van een kraai
Loopspoor op een zandige oever in Duitsland: de sterachtige prenten met lange, gespreide tenen zijn van de muskusrat, de driestralige prenten ertussen van een kraai · Foto: Dat doris — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

In zijn leefgebied

Muskusrat, zwemmend in open moeraswater, potter marsh, alaska: alleen kop en rug boven water, met de dunne staart in het kielzog en een lage v-golf — het beeld waaraan je hem op afstand herkent
Zwemmend in open moeraswater, Potter Marsh, Alaska: alleen kop en rug boven water, met de dunne staart in het kielzog en een lage V-golf — het beeld waaraan je hem op afstand herkent · Foto: Diego Delso — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een fors, plomp waterknaagdier van 26 tot 30 cm kop-romplengte. De vacht oogt onder water zilverglanzend en boven water donker roodbruin tot bijna zwart; de buik is grijzer en lichter. De kop is stomp en breed, met kleine ogen en kleine, in de vacht verzonken oren; zwemmende dieren houden kop en rug net boven water. Het belangrijkste kenmerk is de staart: 20 tot 25 cm lang, vrijwel kaal, geschubd en zijdelings afgeplat in plaats van van boven naar onder; bij het zwemmen beweegt de staart vaak zichtbaar zijwaarts heen en weer. De achtervoeten zijn groot en hebben langs de tenen een stijve rand van zwemharen in plaats van zwemvliezen; de voorvoeten zijn klein en handvormig en worden gebruikt om plantendelen vast te houden. De snijtanden zijn oranje. Klieren bij de staartwortel produceren een scherpe muskusgeur, waaraan de soort haar naam dankt en die bij burchten en latrines waarneembaar is.

Gelijkende soorten

Op het water komen drie soorten in aanmerking, en het formaat is beslissend. De bever is drie keer zo lang, heeft een brede, horizontaal afgeplatte staart en veroorzaakt een veel grotere boeggolf. De beverrat ligt qua formaat daartussenin, is bruiner en ruiger, heeft witte snorharen en een witte snuitvlek en een ronde, ratachtige staart. De woelrat is het lastigst: veel kleiner (kop-romp 12 tot 22 cm), met een behaarde, ronde staart van ongeveer de halve lichaamslengte, en hij ligt hoger in het water. De bruine rat zwemt ook en heeft eveneens een ronde, kale staart, maar is slanker, met een spitse snuit en grote, vrijstaande oren. De otter duikt met een rolbeweging waarbij de rug zichtbaar wordt. Is alleen een kop met een V-vormige golf te zien, dan zijn de lengte van het lichaam achter de kop en zo mogelijk de staart bepalend.

Leefgebied

Traag stromende en stilstaande zoete wateren met een zachte oever en een rand van waterplanten: sloten, weteringen, kanalen, plassen, vennen, veenputten, uiterwaarden, rietmoerassen en natte graslanden, en ook brakke polders en zoute kreken. Vereist zijn water dat in de winter niet tot op de bodem bevriest, een oever waarin gegraven kan worden of ondiep water waarin gebouwd kan worden, en lisdodde, riet, biezen of zeggen als voedsel. In de polders van Nederland en Noord-Duitsland is het slotenstelsel zelf het belangrijkste leefgebied. In het gebergte komt de soort tot enkele honderden meters hoogte voor.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Oorspronkelijk Noord-Amerika, van Alaska en de Canadese toendra tot Noord-Mexico, overal waar zoet water is. De Europese populaties gaan terug op de uitzetting van vijf dieren bij Dobříš, ten zuidwesten van Praag, in 1905, aangevuld met latere ontsnappingen uit pelsdierfokkerijen in Frankrijk, Finland, Rusland en elders. Vanuit deze kern heeft de soort zich in een eeuw over vrijwel het hele Europese vasteland verspreid, van Frankrijk tot voorbij de Oeral en verder tot in Japan. In Nederland werd het eerste exemplaar in 1941 bij Valkenswaard gevonden; het land is daarna vanuit België en Duitsland gekoloniseerd, waar de soort algemeen is. Op de Britse Eilanden is de soort niet meer aanwezig: de populaties die in de jaren twintig uit pelsdierfokkerijen ontsnapten, zijn in de jaren dertig uitgeroeid; dit is een van de weinige geslaagde uitroeiingen van een gevestigd zoogdier in Europa. De soort ontbreekt in IJsland, op de meeste eilanden in de Middellandse Zee en in het droge zuiden van Iberië; in Spanje zijn geen gevestigde populaties bekend, en geïsoleerde meldingen hebben daar niet tot populaties geleid.

  • Ingeburgerd
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Het actiefst in de schemering en 's nachts, in rustige gebieden ook overdag. Er is geen winterslaap; in de winter zwemt de muskusrat onder het ijs tussen burcht en voedsel. Het voedsel bestaat vooral uit waterplanten (lisdodde, riet, biezen, zeggen, waterlelie), waarvan de wortelstokken en stengelvoeten worden gegeten, aangevuld met gras, landbouwgewassen en, vooral in het voorjaar, zoetwatermossels, rivierkreeften, slakken, kikkers en vis. De soort leeft in paren of kleine familiegroepen met een verdedigd territorium rond de burcht. De aantallen schommelen sterk en kunnen in enkele jaren met een factor tien veranderen. De voortplanting is snel: in Europa twee tot drie worpen per jaar tussen maart en september, na een draagtijd van dertig dagen, met gemiddeld zes tot zeven jongen, die na een maand zelfstandig zijn en zich nog in hetzelfde jaar kunnen voortplanten. Jonge dieren trekken in het voorjaar en de nazomer kilometers ver langs watergangen. In het wild worden muskusratten zelden ouder dan drie jaar.

Waar en wanneer kijken

Wacht in het laatste uur voor zonsondergang op een brug of steiger bij een rustige sloot of rietkraag; de kans op een waarneming is bij deze soort groot. In oktober en november, wanneer het riet plat ligt, zijn burchten het best te vinden. Een drijvend hoopje vers afgebeten lisdoddestengels wijst op aanwezigheid. Waar de soort intensief wordt bestreden, zoals in Nederland, bepaalt de bestrijding hoeveel dieren er te zien zijn; daar is de kans langs de grote rivieren en in het oosten groter dan in Holland.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (LC, 2016); deze beoordeling heeft betrekking op het oorspronkelijke areaal in Noord-Amerika en niet op de situatie in Europa. In de Europese Unie staat de muskusrat sinds 2 augustus 2017 op de Unielijst van invasieve uitheemse soorten die zorgwekkend zijn voor de Unie (Verordening 1143/2014): houden, kweken, vervoeren en verhandelen zijn verboden, en lidstaten moeten gevestigde populaties beheersen. De belangrijkste reden is waterveiligheid: oeverholen en gangen ondermijnen dijken, kaden, sluizen en spoortaluds, wat vooral van belang is in Nederland, waar ongeveer een derde van het land onder zeeniveau ligt. Daarnaast vreet de soort rietkragen en oevervegetatie kaal, waarvan moerasvogels als grote karekiet en roerdomp afhankelijk zijn, en eet zij zoetwatermossels, waaronder beschermde soorten. Nederland bestrijdt de muskusrat sinds de jaren veertig beroepsmatig: begin deze eeuw werden er jaarlijks 300.000 tot 400.000 gevangen, in 2025 nog 84.438. Sinds 2019 streven de waterschappen naar terugdringen tot de landsgrens, met als doel dat vanaf 2034 in het binnenland minder dan vijfhonderd dieren per jaar gevangen hoeven te worden; de aanhoudende instroom uit Duitsland kost meer dan vijf miljoen euro per jaar. De haalbaarheid van dit doel en het dierenwelzijn bij vangst met klemmen zijn in Nederland en België onderwerp van discussie.

Wetenschappelijke naam

Ondatra zibethicus | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Castor zibethicus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Ondatra is via het Frans ontleend aan het Huron ondathra, de naam van de muskusrat bij de Wyandot in het Sint-Laurensgebied. zibethicus betekent 'muskusachtig', bij het middeleeuws-Latijnse zibethum 'civetgeur', uit het Arabische zabād, naar de sterke geur van de klieren. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Canada.