Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › Roemeense hamster
Roemeense hamster | Mesocricetus newtoni
Romanian Hamster | Hámster Rumano
De Roemeense hamster heeft een van de kleinste verspreidingsgebieden van alle Europese zoogdieren: hij leeft in de Dobroedzja, de steppestreek tussen de Donau en de Zwarte Zee, en komt nergens anders ter wereld voor. In bouw lijkt hij op de goudhamster uit hetzelfde geslacht — gedrongen, met een korte staart — maar hij heeft een zwarte band over de borst in plaats van een zwarte buik. Op de Rode Lijst staat hij als kwetsbaar.
Sporen
Het belangrijkste spoor is de burcht. Het gangenstelsel reikt 60 tot 80 cm diep, uitzonderlijk tot anderhalve meter, en heeft meestal twee uitgangen: een schuine loopgang en een steilere pijp. De ingangen zijn 4 tot 5 cm in doorsnee, kleiner dan die van de Europese hamster, met een klein hoopje uitgeworpen aarde dat op de lichte lössgrond van de Dobroedzja goed zichtbaar is. Onder de grond liggen een met droog gras beklede nestkamer, een aparte winterslaapkamer en een of meer voorraadkamers met zaden en vruchten; bij mannetjes zijn voorraden tot achthonderd gram beschreven. Aan het oppervlak zijn er kortgeknaagde paadjes tussen de ingang en de dichtstbijzijnde voedselplek, schuin doorgebeten halmen waarvan de aar is meegenomen, en keutels van 5 tot 8 mm, donker en cilindrisch, meestal in de latrinegang en zelden in het open veld. In het najaar wijst een van binnenuit dichtgestopte pijp erop dat het dier in winterslaap is gegaan. Verder is de soort in het veld vooral bekend uit braakballen van kerkuil en oehoe en uit resten die door zwerfhonden zijn achtergelaten.
In zijn leefgebied

De kop van dichtbij

Herkenning
Een middelgrote hamster: kop-romp 14 tot 17 cm, staart 1,8 tot 2,6 cm, gewicht 80 tot 150 gram — ruim half zo groot als de Europese hamster en aanzienlijk groter dan de trekhamster. De rug is okerbruin tot roodbruin met een donkere waas en draagt in het midden een vage donkere rugstreep; de flanken zijn lichter geelbruin, de buik wit tot roomkleurig. Het doorslaggevende kenmerk zit op de borst: een zwarte band die van de keel over de borst tot achter de voorpoten loopt, aan weerszijden begrensd door een wit vlekje. Op de kop staan duidelijke zwartbruine wangstrepen. De oren zijn voor een hamster groot en rond, licht behaard en aan de bovenrand grijs; de ogen zijn groot en zwart. De staart is kort, dik en behaard. Hij heeft wangzakken; een dier dat zaad verzamelt, heeft een verbrede, bijna vierkante kop.
Gelijkende soorten
Binnen het areaal is verwarring vrijwel uitgesloten. De Europese hamster komt ook in de Dobroedzja voor, maar is twee tot drie keer zo zwaar en heeft een volledig zwarte buik in plaats van een zwarte borstband. De trekhamster is veel kleiner, egaal grijs, zonder zwarte tekening en met een langere, duidelijk zichtbare staart. Bosmuizen en de brandmuis zijn slanker en langstaartig, en de brandmuis heeft een scherpe zwarte rugstreep in plaats van een borstband. Op een foto en in de hand volstaat de zwarte borstband. Een fors, rond, kortstaartig knaagdier dat 's nachts in Noord-Dobroedzja een kaal akkerpad oversteekt, is de Roemeense hamster, tenzij het dier duidelijk het formaat van een cavia heeft; dan gaat het om de Europese hamster.
Leefgebied
Xerofiele steppe en steppegraslanden op het plateau van Noord-Dobroedzja: onbewerkte, niet of weinig begraasde grazige hellingen, ruigtes, stenige steppeheuvels en de randen van kalkrotsen. Hij gebruikt akkerranden met luzerne en maïs, maar mijdt het bewerkte perceel zelf. Hij komt ook voor in zoomvegetaties langs struweel en op verlaten terreinen. Bepalend zijn een diepe, droge, goed doorlatende bodem en een grasmat die niet kort is afgegraasd. Hij komt voor van vlak boven zeeniveau langs de Donau tot ongeveer 400 meter.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Een van de kleinste arealen in Europa: Zuidoost-Roemenië en Noordoost-Bulgarije, in hoofdzaak het plateau van de Dobroedzja tussen de benedenloop van de Donau en de Zwarte Zee, met het zwaartepunt in Noord-Dobroedzja rond Casimcea. In Bulgarije reikt hij tot ongeveer de lijn Sjoemen–Varna; het typedier werd in 1898 bij Sjoemen verzameld. Hij komt nergens anders ter wereld voor.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Strikt nachtactief, met de meeste activiteit in de eerste uren na zonsondergang en opnieuw kort voor zonsopgang; overdag zit hij diep in de burcht. Hij leeft solitair — elk volwassen dier heeft een eigen burcht — en verdraagt buiten de paartijd geen soortgenoten. Het voedsel bestaat uit zaden, vruchten, groene plantendelen, wortels en knollen, aangevuld met insecten; wat niet direct wordt gegeten, gaat via de wangzakken naar de voorraadkamer. Van oktober tot maart houdt hij een onderbroken winterslaap: hij gaat in torpor, maar wordt geregeld wakker om van de voorraad te eten, zoals de Europese hamster. De voortplanting loopt van april tot augustus, met een draagtijd van ongeveer vijftien dagen en worpen van één tot twaalf jongen; de dieren zijn na acht tot tien weken volwassen en er zijn twee of drie worpen per jaar. In gevangenschap is de soort een veelgebruikt proefdier in onderzoek naar winterslaap en dagritme; over zijn fysiologie is daardoor meer bekend dan over zijn leven in het veld.
Waar en wanneer kijken
Ga in de late zomer of vroege herfst, wanneer de dieren voorraden aanleggen, naar het plateau van Noord-Dobroedzja in Roemenië — de omgeving van Casimcea, het Măcin-gebergte, de steppereservaten rond Babadag. Loop overdag de grazige hellingen af en let op kleine holingangen met een aardhoopje en de kortgeknaagde paadjes ertussen. Rijd na donker stapvoets over de veldwegen met een goede lamp of een warmtebeeldkijker; de dieren steken de paden over. De meeste kans geeft een nacht op een steppehelling met een rode lamp gericht op een verse pijp. De soort is streng beschermd; laat geen etensresten achter, omdat die zwerfhonden aantrekken.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar (VU, 2023). Voorheen stond hij als gevoelig (NT) te boek; de nieuwe categorie weerspiegelt een verslechtering. De omzetting van steppe in akkerland heeft in de Dobroedzja het grootste deel van het oorspronkelijke leefgebied doen verdwijnen, en op bewerkte percelen kan hij zich niet handhaven. Wat overblijft is versnipperd tot hellingen en randen tussen akkers, doorsneden door wegen en windparken. Daarnaast spelen overbegrazing van de resterende steppe, het gebruik van rodenticiden op aangrenzende percelen en in de laatste jaren zwerfhonden, die in de Roemeense steppe een aanzienlijke sterfte veroorzaken. Omdat het hele wereldareaal klein is en in twee landen ligt, heeft elk verlies van leefgebied relatief grote gevolgen. Als effectieve maatregelen gelden: resterende steppe niet omploegen, begrazing matigen, geen gif langs de randen gebruiken en de resterende hellingen met elkaar verbinden. Roemenië en Bulgarije beschermen de soort strikt, en er is een fokprogramma in gevangenschap opgezet als reservepopulatie.
Wetenschappelijke naam
Mesocricetus newtoni | (Nehring, 1898)
Nehring beschreef de soort in 1898 als Cricetus Newtoni; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Mesocricetus verbindt het Griekse mesos 'midden' met Cricetus: de hamster die in grootte tussen de grote en de kleine soorten in staat. newtoni eert de Britse zoöloog Alfred Newton (1829–1907), die het dier in 1870 al had afgebeeld en kort beschreven zonder te beseffen dat het een aparte soort was. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Bulgarije.



