Alle soorten › Springspitsmuizen › Springspitsmuizen › Noord-Afrikaanse olifantspitsmuis

Noord-Afrikaanse olifantspitsmuis | Petrosaltator rozeti

North African Sengi | Asarfif

De Noord-Afrikaanse olifantspitsmuis is een muisgroot dier met een lange, beweeglijke snuit, grote ogen en lange achterpoten waarmee het over rotsen springt. Het is geen muis, geen spitsmuis en geen knaagdier, maar de enige vertegenwoordiger buiten Afrika ten zuiden van de Sahara van een eigen orde, de olifantspitsmuizen of sengi's (Macroscelidea). De naaste verwanten zijn de klipdassen, het aardvarken en de olifanten. De soort leeft op rotshellingen in de Maghreb en is met geen enkele Europese zoogdiersoort nauw verwant.

Noord-Afrikaanse olifantspitsmuis (Petrosaltator rozeti)
Foto: Galen B. Rathbun — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Van deze soort zijn nauwelijks sporen gedocumenteerd, en de kennis over sengi's in het algemeen is voor deze soort niet voldoende vastgelegd voor een volledig sporenbeeld. De prent is zeer klein en op rots niet te zien; in fijn stof of zand tussen de blokken is een klein, langwerpig achtervoetje met vier lange tenen te zien, met de kleine voorvoet ervoor of ernaast, en bij een vluchtend dier sprongafstanden tot enkele decimeters. De keutels zijn kleine, donkere, harde korreltjes van enkele millimeters, vaak op vaste plekken bij de rand van een spleet, en in het veld vrijwel niet van die van een gerbil te onderscheiden. Van de meeste sengi's is bekend dat ze een netwerk van schoongehouden paadjes, vrij van blad en steentjes, onderhouden waarlangs ze bij gevaar naar dekking rennen; voor deze soort is dat niet goed beschreven. Omdat de soort dagactief is, is het dier zelf relatief gemakkelijk waar te nemen.

Herkenning

Klein en licht: kop-romp 11 tot 12,5 cm en 25 tot 70 gram, met een staart die langer is dan het lichaam (13 tot 16 cm), dun, licht behaard en aan de punt vaak donkerder. De vacht is geelbruin tot bleek zandroze op de rug en wit op de buik, met een scherpe grens; dieren van de woestijnrand zijn het bleekst. Het belangrijkste kenmerk is de kop: een lange, beweeglijke, naar beneden gebogen snuit die voortdurend rondtast, met lange snorharen; daarboven grote, zwarte, bolle ogen met een lichte oogring, en daarachter grote, dunne, afgeronde oren. De achterpoten zijn lang, de voorpoten kort; in rust zit het dier hoog op de achterpoten, en bij verstoring verplaatst het zich met korte, snelle sprongen over de stenen. Onder de staartwortel zit een klier waarmee het territorium wordt gemarkeerd. Het gebit telt 42 tanden, meer dan bij enig knaagdier.

Gelijkende soorten

In het gebied heeft geen ander dier een vergelijkbare snuit; dat kenmerk is voldoende voor de determinatie. Dieren van vergelijkbaar formaat in de Maghreb: gerbils en renmuizen (Gerbillus, Meriones) hebben eveneens lange achterpoten en een lange staart, maar een gewone knaagdiersnuit aan een spits toelopende kop en een staart die in een pluimpje eindigt, en ze zijn 's nachts actief in plaats van overdag; de Noord-Afrikaanse goendi (Ctenodactylus) leeft op dezelfde rotsen, maar is gedrongen en kortstaartig, met het formaat van een cavia; spitsmuizen hebben ook een spitse snuit, maar zijn kleiner, kortpotig en kortstaartig en zoeken hun voedsel in de strooisellaag in plaats van te springen. De naam 'olifantspitsmuis' suggereert verwantschap met spitsmuizen, maar die bestaat niet. Ten zuiden van de Maghreb komen andere sengi's voor; in Noordwest-Afrika is dit de enige soort.

Leefgebied

Steen en rots in droge gebieden: rotsige hellingen en blokkenvelden, puinhellingen en wadiwanden, kalksteen- en zandsteenplateaus, en de garrigue, phrygana en lage maquis daaromheen; verder halfwoestijn met verspreide struiken en de stenige randen van akkers en olijfgaarden. Vereist zijn spleten en holten als schuilplaats in de nabijheid van open, stenige grond om over te rennen en te foerageren. Het leefgebied loopt van de kuststrook tot in de Hoge Atlas en tot de noordrand van de Sahara.

Verspreiding

Noordwest-Afrika: Marokko, Algerije, Tunesië en West-Libië, met een uitloper zuidwaarts tot het noorden van de Westelijke Sahara; het zwaartepunt ligt in de Atlaslanden en hun voorgebergte. In Europa komt de soort niet voor en heeft zij nooit voorgekomen. Ook in Noord-Afrika is zij bij de meeste reizigers onbekend.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Dag- en schemeractief, wat voor een klein zoogdier in een heet klimaat ongebruikelijk is; in de heetste maanden verschuift de activiteit naar de vroege ochtend en de late namiddag. Het voedsel bestaat vooral uit insecten, met mieren en termieten als belangrijkste prooien, en verder kevers, spinnen en enige zaden, knoppen en kleine vruchten; de snuit tast daarbij voortdurend spleten en strooisel af. Het territorium wordt gemarkeerd met de klier onder de staartwortel. Van sengi's in het algemeen is bekend dat ze in monogame paren leven die samen een territorium verdedigen maar verder grotendeels afzonderlijk foerageren; voor deze soort is dat waarschijnlijk, maar niet in detail beschreven. Worpen vallen tussen ongeveer januari en augustus, twee per jaar, met één tot vier, meestal twee jongen, na een draagtijd van ongeveer vijfenzeventig dagen. De jongen worden ver ontwikkeld geboren, behaard en met open ogen, en zijn binnen anderhalve maand volwassen. In het wild wordt de soort zelden ouder dan anderhalf jaar. Er is geen winterrust, maar bij kou of voedselschaarste kan de soort kortdurend in torpor gaan.

Waar en wanneer kijken

Zoek vroeg in de ochtend op zonnige rotshellingen of blokkenvelden in de voorgebergten van Marokko en Algerije, zoals de Jbilet bij Marrakesh, de hellingen van de Hoge Atlas en de Anti-Atlas, en op de kalkplateaus van Noord-Tunesië. Wacht op een steen met uitzicht over een helling met spleten: het dier beweegt in korte sprints van dekking naar dekking en is te herkennen aan de beweging, niet aan geluid. De lange staart blijft bij een wegschietend dier het langst zichtbaar. Zoek bij reizen door de Maghreb ook bij korte stops rotshellingen af. Achtervolg het dier niet: bij verstoring duikt het een spleet in en blijft daar ongeveer een half uur.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2015). Het areaal is groot, de soort is talrijk in geschikt rotsgebied, en het leefgebied, stenige hellingen en halfwoestijn, wordt weinig door landbouw en bebouwing veranderd. Er zijn geen ernstige bedreigingen vastgesteld; plaatselijk spelen overbegrazing, steenwinning en het verdwijnen van struweel een rol, en op lange termijn kunnen opwarming en verdroging van de Maghreb de zuidgrens van het areaal naar het noorden verschuiven. Er is weinig veldonderzoek aan deze soort gedaan: gegevens over sociale organisatie en sporen zijn beperkt, en de meeste bestaande foto's zijn afkomstig van een klein aantal excursies.

Wetenschappelijke naam

Petrosaltator rozeti | (Duvernoy, 1833) (GBIF: Elephantulus rozeti)

Duvernoy beschreef de soort in 1833 als Macrocelides Rozeti; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Petrosaltator koppelt het Griekse petra 'rots' aan het Latijnse saltator 'danser, springer'; Rathbun en Dumbacher vertaalden hun naam in 2016 zelf met 'rotsdanser', naar het rotsige leefgebied. rozeti eert de Franse genieofficier en geoloog Claude-Antoine Rozet (1798–1858), die kort tevoren zijn beschrijving van de pas veroverde regentschap Algiers had uitgebracht. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Algerije, Oran.