Alle soorten › Knaagdieren › Eekhoorns en marmotten › Oostelijke wangzakeekhoorn

Oostelijke wangzakeekhoorn | Tamias striatus

Eastern chipmunk | Tamias striatus

De oostelijke wangzakeekhoorn is een Noord-Amerikaanse grondeekhoorn die, net als de Siberische grondeekhoorn, als kooidier in grote aantallen naar Europa is gebracht. Anders dan de Siberische soort, die in Frankrijk, België en Nederland verwilderde populaties vormt, is deze soort nergens in Europa ingeburgerd. De dieren die in het gidsgebied voorkomen, leven in dierentuinperken of zijn uit gevangenschap ontsnapt.

Oostelijke wangzakeekhoorn (Tamias striatus)
Foto: Rhododendrites — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

In Europa is geen sporenbeeld van deze soort bekend, omdat hij er nergens vrij leeft. De sporen uit Noord-Amerika komen overeen met die van de Siberische grondeekhoorn en kunnen bij een ontsnapt dier opduiken. De holingang is een rond gat van 3 tot 5 cm onder een boomstronk, tussen boomwortels, onder een steen, muurtje of schuurtje, en er ligt geen zandhoop voor, anders dan bij mollen of grondeekhoorns van de steppe: het dier draagt de grond in de wangzakken weg en verspreidt die elders, zodat de ingang weinig opvalt. Onder de grond ligt een stelsel met een nestkamer en voorraadkamers waarin tot enkele kilo's zaad kan liggen. Bovengronds zijn er eetplaatsen op een stronk, steen of omgevallen stam, met een hoopje afgeknaagde kegelschubben, opengeknaagde noten en eikeldoppen. De keutels zijn klein, donker en rijstkorrelvormig. De roep is een hard, langgerekt en vele malen herhaald tsjok-tsjok-tsjok, en bij onraad een scherpe triller.

Oostelijke wangzakeekhoorn, holingang in een grasveld in québec, met het dier er half uit: een rond gat van enkele centimeters zonder zandhoop ervoor — het uitgegraven zand wordt in de wangzakken weggedragen, zodat de pijp bijna onzichtbaar blijft
Holingang in een grasveld in Québec, met het dier er half uit: een rond gat van enkele centimeters zonder zandhoop ervoor — het uitgegraven zand wordt in de wangzakken weggedragen, zodat de pijp bijna onzichtbaar blijft · Foto: Gilles Gonthier — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

De kop van dichtbij

Oostelijke wangzakeekhoorn, kop van voren, guelph, ontario: de donkere streep door het oog met een witte streep erboven en eronder, en de kleine ronde oren zonder pluimen
Kop van voren, Guelph, Ontario: de donkere streep door het oog met een witte streep erboven en eronder, en de kleine ronde oren zonder pluimen · Foto: Ryan Hodnett — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een kleine, gedrongen grondeekhoorn van ongeveer 15 cm kop-romp, met een korte, platte, borstelige staart van ruim 9 cm — minder dan twee derde van de romplengte — en een gewicht van ongeveer honderd gram. Het strepenpatroon is het kenmerk. Over de rug loopt één donkere middenstreep van de schouders tot de stuit, en aan weerszijden daarvan liggen op de achterhelft van het lichaam twee donkere strepen met een witte tot roomkleurige streep ertussen; voorlichaam, schouders en kop zijn daardoor veel minder getekend dan de rug. De stuit en de staartwortel zijn roestrood tot kaneelbruin en ongestreept. Over de kop lopen smalle donkere strepen door en boven het oog, met witte strepen erboven en eronder. De buik is wit, de oren zijn klein, rond en zonder pluimen. De wangzakken zijn zeer ruim en vaak zichtbaar gevuld wanneer het dier voedsel verzamelt. Hij leeft op de grond: hij klimt redelijk, maar rent met de staart schuin omhoog over de bosbodem en verdwijnt bij gevaar in een hol.

Gelijkende soorten

De enige soort waarmee verwarring reëel is, is de Siberische grondeekhoorn, die in delen van Frankrijk, België en Nederland is ingeburgerd en in Europa dus vrijwel altijd de juiste determinatie is. Bij die soort lopen vijf donkere strepen over de volle lengte van de rug, van de schouders tot de stuit, zodat ook de stuit gestreept is; bij de oostelijke wangzakeekhoorn houden de zijstrepen op de achterhelft op en is de stuit egaal roestrood. De Amerikaanse soort is gemiddeld zwaarder en gedrongener, al overlappen de maten. De gewone eekhoorn is twee tot drie keer zo zwaar, ongestreept, heeft een pluimstaart en leeft in de boomkronen. De eikelmuis heeft een zwart masker rond het oog in plaats van rugstrepen en is nachtactief. Bij een gestreept knaagdier op de grond in Europa is de Siberische soort het uitgangspunt; alleen een foto van de stuit geeft uitsluitsel.

Leefgebied

In Noord-Amerika loof- en gemengd bos met een gesloten kroondak en veel eik, beuk en esdoorn, bij voorkeur met een bodem vol omgevallen stammen, stenen, muurtjes en wortelkluiten om onder te graven; hij komt ook voor in tuinen, parken, begraafplaatsen en houtwallen en is in Amerikaanse buitenwijken een gewone tuinbewoner. In Europa heeft hij geen eigen leefgebied: de aanwezige dieren leven in dierentuinperken of zijn tijdelijk vrij in een woonwijk of bosrand in de buurt van de plek van ontsnapping.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Oorspronkelijk het oosten van Noord-Amerika, van Zuidoost-Canada en de Grote Meren tot Louisiana en Georgia, met de zwaartepunten in de Appalachen en het loofbos van het noordoosten. In Europa is hij nergens ingeburgerd. Binnen het gidsgebied komen de meeste waarnemingen uit Duitsland; vrijwel alle betreffen de vrij rondlopende dieren in een perk van de dierentuin van Wuppertal. Daarnaast zijn er losse meldingen uit Nederland, Zweden en Rusland, die op ontsnapte of losgelaten kooidieren wijzen. Voortplanting in het wild is in Europa niet bekend. De soort is nooit opzettelijk uitgezet; hij is alleen via de dierenhandel in Europa gekomen.

  • Ingeburgerd
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Uitgesproken dagactief, met pieken in de ochtend en in de late middag. Hij eet eikels, beukennootjes, esdoornzaad, hazelnoten, naaldboomzaad, bessen, paddenstoelen en dierlijk voedsel: insecten, slakken, wormen, eieren en ook kikkers en jonge vogels. Voedsel dat niet direct wordt gegeten, gaat in de wangzakken naar de voorraadkamers onder de grond; bij één dier is vastgesteld dat het meer dan honderdtwintig esdoornzaden tegelijk vervoerde. Hij leeft solitair en is territoriaal binnen ongeveer vijftien meter rond het hol, met een leefgebied van hooguit een halve hectare. Er zijn twee worpen per jaar, in het late voorjaar en in de zomer, na een draagtijd van 31 tot 32 dagen, met gemiddeld vier of vijf jongen die na zes weken bovengronds komen. Hij houdt geen echte winterslaap maar een winterrust: hij ligt onder de grond met een verlaagde stofwisseling en wordt om de paar dagen wakker om van zijn voorraad te eten. In het wild leeft hij twee tot drie jaar.

Waar en wanneer kijken

In Europa gaat het bij deze soort om herkenning bij een toevallige waarneming. Bij een gestreepte grondeekhoorn in een Europees bos, park of tuin is de Siberische soort het meest waarschijnlijk; fotografeer rug en stuit voordat je de waarneming noteert. Een dier met een egaal roestrode, ongestreepte stuit meld je direct bij de nationale waarnemingsdatabank: het gaat dan om een nieuwe uitheemse soort in het vrije veld, en bij grondeekhoorns is een vroege melding van belang voor ingrijpen. In het wild is de soort alleen in het oosten van Noord-Amerika te zien, waar hij in vrijwel elk bosperceel en op campings voorkomt.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (LC, 2016); die beoordeling betreft het oosten van Noord-Amerika, waar hij algemeen is, en zegt niets over Europa, waar hij geen populatie heeft. Hij staat niet op de Unielijst van invasieve uitheemse soorten van Verordening 1143/2014; de Siberische grondeekhoorn staat daar sinds 3 augustus 2016 wel op. Het verschil ligt in de introductiegeschiedenis: de Siberische grondeekhoorn werd van de jaren zestig tot tachtig in zeer grote aantallen als huisdier verkocht en losgelaten en heeft zich in Frankrijk, België en Nederland gevestigd, terwijl van de Amerikaanse soort in Europa alleen losse dieren zijn ontsnapt. De risico's die voor de Siberische soort zijn vastgesteld — hij is een geschikte gastheer voor teken en verhoogt het risico op de ziekte van Lyme, en hij eet zaad, knoppen en vogeleieren — gelden waarschijnlijk ook voor deze soort, die in zijn herkomstgebied in sterkere mate nesten plundert.

Wetenschappelijke naam

Tamias striatus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Sciurus striatus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Tamias is het Griekse tamias 'rentmeester, wie voorraden beheert', naar het aanleggen van wintervoorraden. striatus is Latijn voor 'gestreept', bij stria 'groef, streep', naar de vijf donkere strepen over rug en flanken. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Verenigde Staten, Carolina.