Alle soorten › Roofdieren › Hondachtigen › Poolvos
Poolvos | Vulpes lagopus
Arctic Fox | Zorro Ártico
De poolvos is de hondachtige van de arctische en alpiene toendra en komt rond de hele noordpool voor. In het gidsgebied leeft de soort op het fjell van Noorwegen, Zweden en Finland, op IJsland en op Spitsbergen. De bevolking op het Scandinavische vasteland was rond 2000 gedaald tot naar schatting 40 tot 60 volwassen dieren en is sindsdien met fokken, uitzetten, bijvoeren en de bestrijding van vossen weer gegroeid.
Sporen
Het hol ligt meestal op een verhoging — een rug, een esker, een rivieroever of een heuvel — boven de permafrost, op een plek waar weinig sneeuw blijft liggen en vaak op het zuiden. Grote holen hebben tientallen ingangen, in Noord-Amerika tot 150, en worden generaties lang gebruikt; voor holen in de Canadese toendra is een gemiddelde gebruiksduur van 330 jaar geschat. Door mest, urine en prooiresten is de begroeiing op en rond een oud hol dichter en groener dan in de omgeving, waardoor het hol van ver te herkennen is. Rond een bewoond hol liggen resten van lemmingen, veren van sneeuwhoenders en vogels, en eierschalen. De prenten hebben door de dichtbehaarde voetzolen onscherpe tenen en zolen; in zachte sneeuw zijn vaak alleen de omtrek en de klauwpunten te zien. De poolvos legt voedselvoorraden aan: afzonderlijke prooien of meerdere tegelijk, waaronder lemmingen en ganzeneieren, in kleine kuilen. Territoria worden met urine gemerkt.
Een kleurslag

Herkenning
Een kleine vos met een gedrongen lichaam, korte poten, een korte snuit, kleine, afgeronde oren en een lange, dichtbehaarde staart. Ook de voetzolen zijn behaard. Er zijn twee erfelijk vastgelegde kleurvormen, die allebei per seizoen verkleuren. De witte vorm is in de winter vrijwel geheel wit, met enkele donkere haren op de rug en aan de staartpunt; in de zomer is hij bruin op de rug en lichtgrijs tot wit op de buik. De blauwe vorm is in de zomer chocoladebruin en in de winter lichter bruin met een blauwgrijze glans. De witte vorm is recessief. Op het Scandinavische vasteland behoort 25 tot 30% van de dieren tot de blauwe vorm, op IJsland 65 tot 70%, op het vasteland van Azië en Noord-Amerika minder dan 1%. De wintervacht is dik, met veel onderwol en lange dekharen, en laat het dier ronder en groter lijken dan het is; na de rui in het voorjaar oogt het slank en hoogbenig. Mannetjes zijn iets groter dan vrouwtjes.
Gelijkende soorten
De vos is groter en langer op de poten, met een langere snuit, grote spitse oren met een zwarte achterkant, zwarte voorkanten van de poten en een witte staartpunt. Een poolvos in zomervacht heeft kleinere, rondere oren, een kortere snuit, een donkere of grijsbruine staart zonder witte punt en een lichte buik; een vos in wintervacht heeft nooit een geheel witte of egaal blauwgrijze vacht. In het fjell overlappen beide soorten. Gefokte blauwvossen uit pelsdierhouderijen behoren tot dezelfde soort; ontsnapte dieren zijn in het veld niet van wilde blauwe poolvossen te onderscheiden, en kruising met wilde dieren is als bedreiging beschreven. Kleine honden van het spitstype zijn hoger op de poten en hebben een over de rug gekrulde staart.
Leefgebied
Arctische en alpiene toendra, in Scandinavië het boomloze fjell boven de berkenzone, met graslanden, dwergstruweel, blokvelden en palsavenen. Op IJsland en Spitsbergen ook de kust, met vogelrotsen, stranden en zee-ijs. Poolvossen leggen over zee-ijs grote afstanden af tussen eilanden en continenten. Aan de kust is het voedselaanbod stabieler dan in het binnenland, doordat daar naast knaagdieren ook zeevogels, aangespoelde zeezoogdieren, vis en ongewervelden beschikbaar zijn.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Circumpolair: de toendrazone van Eurazië en Noord-Amerika met de meeste arctische eilanden, Groenland, IJsland en Spitsbergen. In het gidsgebied het Scandinavische hooggebergte van Zuid-Noorwegen tot Finnmark, met aangrenzende delen van Zweden en Finland, en verder IJsland en, in de noordelijke inzet, Spitsbergen en Bereneiland. Op IJsland is de poolvos de enige landzoogdiersoort die er voor de komst van de mens voorkwam. Verreweg de meeste waarnemingen binnen het venster komen uit Noorwegen, gevolgd door IJsland; uit Zweden en Finland komen er weinig. Losse waarnemingen verder zuidelijk betreffen vrijwel steeds ontsnapte of gehouden dieren.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Het hele jaar actief, zonder winterslaap of winterrust. De soort is overwegend nachtactief, maar past het activiteitspatroon aan dat van de belangrijkste prooi aan. In de herfst worden vetreserves aangelegd en in de winter is de bewegingsactiviteit lager. In het binnenland is de poolvos afhankelijk van lemmingen en woelmuizen, waarvan de aantallen in cycli van drie tot vijf jaar schommelen; in Fennoscandië werd de berglemming in 85% van de zomerkeutels gevonden, vogels in 34% en rendier (als aas) in 21%. In de winter worden sneeuwhoenders gevangen. De aantallen poolvossen volgen de cycli van de prooi, en na een instorting van de lemmingstand zijn grootschalige wegtrekbewegingen beschreven. De sociale eenheid is een paar dat samen de jongen grootbrengt, soms geholpen door een eenjarig dier uit een vorige worp. Het leefgebied meet in het binnenland 15 tot 36 km², op Spitsbergen 10 tot 125 km². De paring valt tussen februari en mei, de geboorte na een draagtijd van 51 tot 54 dagen tussen april en juli. Het geboortegewicht is 80 tot 85 g. De worpgrootte hangt af van het voedsel: bij een hoge lemmingstand zijn worpen van meer dan tien jongen geen uitzondering, en op het Wrangeleiland zijn er tot 19 geteld. De jongen worden 8 tot 10 weken gezoogd en worden na ongeveer tien maanden geslachtsrijp.
Waar en wanneer kijken
In het fjell zijn poolvossen het best in juni tot augustus te zien, bij een bekend hol met jongen, vanaf ruime afstand en met een telescoop. In Noorwegen, Zweden en Finland zijn de soort en haar holen wettelijk beschermd, en de ligging van holen wordt meestal niet bekendgemaakt; excursies onder begeleiding zijn de gangbare weg. Op IJsland komt de soort in het hele land voor, vooral in de Westfjorden en het natuurreservaat Hornstrandir, waar niet op poolvossen wordt gejaagd. In de winter is een witte poolvos tegen de sneeuw vooral aan de beweging en aan de donkere ogen en neus te herkennen; een loopspoor in verse sneeuw leidt vaak naar een voorraadkuil of een gegraven gat in de sneeuw.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2014). De wereldbevolking wordt geschat op enkele honderdduizenden dieren, met grote aantallen in de toendra van Rusland, Canada, Alaska, Groenland en op IJsland. De bevolking op het Scandinavische vasteland is door de jacht voor de pels in het begin van de twintigste eeuw ingestort en herstelde niet, ook niet na de bescherming in Zweden (1928), Noorwegen (1930) en Finland (1940). Als oorzaken daarvan gelden het uitblijven van regelmatige lemmingpieken, de concurrentie met en predatie door de vos, en de kleine, versnipperde deelbevolkingen. In 2005 is in Noorwegen een fokprogramma begonnen; sinds 2006 zijn er ruim 450 jonge dieren uitgezet. Samen met bijvoeren en het afschieten van vossen in de uitzetgebieden heeft dat geleid tot een verviervoudiging van de Noorse bevolking tussen 2008 en 2020, tot naar schatting 452 volwassen dieren in Noorwegen en Zweden samen. In de nationale rode lijsten stond de soort in 2009 op het vasteland van Noorwegen en in Zweden als bedreigd en in Finland als ernstig bedreigd. In de Europese Unie is de poolvos een prioritaire soort van de Habitatrichtlijn. Op IJsland wordt de soort buiten de natuurreservaten bejaagd.
Wetenschappelijke naam
Vulpes lagopus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Canis Lagopus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Vulpes is het Latijnse woord voor 'vos'. lagopus is Grieks voor 'hazenvoet', van lagōs 'haas' en pous 'voet', naar de dicht behaarde voetzolen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden, Lapland.





