Alle soorten › Insecteneters › Mollen en desmans › Pyrenese desman

Pyrenese desman | Galemys pyrenaicus

Pyrenean desman | Desmán Ibérico

De Pyrenese desman is een mol die in snelstromende bergbeken leeft en onder water jaagt op de larven van haften, steenvliegen en kokerjuffers. De soort is endemisch in de Pyreneeën en het noorden en midden van het Iberisch Schiereiland, en is een van de twee nog levende desmans; de andere, de Russische desman, leeft ruim 2500 kilometer verder naar het oosten. In de laatste decennia is de Pyrenese desman in grote delen van zijn areaal sterk achteruitgegaan. De IUCN beoordeelt hem sinds 2021 als bedreigd, en in Spanje is in 2025 voor de soort de toestand van kritieke bedreiging afgekondigd.

Pyrenese desman (Galemys pyrenaicus)
Foto: Joxerra Aihartza — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Het bruikbaarste spoor is de keutel. Een desman zet zijn keutels af op stenen die boven het water uitsteken, op boomwortels en in spleten van de oever, vaak op vaste plekken. Ze zijn klein, donker, vaak met een muskusachtige geur, en bevatten resten van de larven van waterinsecten. Omdat de keutels van waterspitsmuizen op dezelfde plekken liggen en er sterk op lijken, is een keutel alleen via DNA-onderzoek met zekerheid toe te wijzen. Die methode is de basis geworden van de inventarisaties in Frankrijk en Spanje: in de Franse Pyreneeën bevestigden 900 genetisch onderzochte keutels de aanwezigheid in 250 beektrajecten van elk 500 meter, en het DNA in de keutels gaf ook het dieet en de verplaatsingen van individuen prijs. Prenten zijn zelden te vinden en niet diagnostisch. Nesten of holen zijn evenmin een bruikbaar spoor: de desman graaft niet zelf, maar rust in bestaande holten tussen stenen en wortels in de oever.

Herkenning

Een klein, gestroomlijnd dier met een lange, platte, beweeglijke, slurfvormige snuit van twee tot drie centimeter, met de neusgaten aan de punt en veel tastharen. De ogen zijn zeer klein, uitwendige oren ontbreken. De vacht bestaat uit twee lagen, een dichte onderwol en langere dekharen, en is donkerbruin op de rug en zilvergrijs op de buik; nat glanst het dier bijna zwart. De achterpoten zijn lang, met grote voeten met zwemvliezen en een rand van stijve haren, en leveren de voortstuwing in het water. De staart is langer dan kop en romp, rond aan de basis en naar het eind toe zijdelings afgeplat, en wordt bij het zwemmen gebruikt om te sturen; aan de staartbasis liggen geurklieren met een muskusachtige geur. Kop-romplengte 10,8 tot 14,5 cm, staart 12,3 tot 16,0 cm, achtervoet 31 tot 38 mm, gewicht 44 tot 80 gram; mannetjes en vrouwtjes zijn even groot.

Gelijkende soorten

Samen met de Russische desman (Desmana moschata) is dit de enige mol in Europa die in het water leeft, en de twee soorten overlappen nergens: de Russische desman is ruim vijf keer zo zwaar en leeft in de stroomgebieden van Wolga, Don en Oeral. Binnen zijn eigen areaal is de Pyrenese desman in de hand met geen enkel ander dier te verwarren door de slurfvormige snuit, de lange staart en de grote achtervoeten. De verwarring ontstaat bij een snelle waarneming in het water of bij sporen. De waterspitsmuis en de Cabrera-waterspitsmuis, die in dezelfde beken leven, zijn veel kleiner, hebben een spitse maar geen platte, beweeglijke snuit en een staart die korter is dan het lijf. Een zwemmende West-Europese woelrat of bruine rat is groter, heeft een stompe snuit en zwemt hoog in het water. De Amerikaanse nerts is veel langer, met een ruige staart. Bij keutels is de kans op verwarring het grootst: die van desman en waterspitsmuizen zijn op het oog niet te scheiden.

Leefgebied

Snelstromende, koude, zuurstofrijke beken en rivieren met helder water en een bodem van stenen en grind, waar de larven van haften, steenvliegen en kokerjuffers en vlokreeftjes in grote aantallen leven. De soort komt voor van bijna zeeniveau tot ongeveer 2700 m, met een voorkeur voor beken boven ongeveer 400 m. Belangrijk zijn oevers met spleten, stenen en boomwortels die als rustplaats dienen, en een stroming die de bodem schoon houdt van slib. Stuwmeren, trage en sterk vervuilde trajecten en beken die in de zomer droogvallen worden gemeden.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Endemisch in het noorden van het Iberisch Schiereiland en de Pyreneeën, in Spanje, Portugal, Frankrijk en Andorra. Het areaal omvat beide zijden van de Pyreneeën, het Cantabrisch Gebergte en het Baskenland, Galicië en het noorden van Portugal, en daarnaast het Iberisch Randgebergte en het Centraal Gebergte met de Sierra de Gredos en de Serra da Estrela. Binnen dat gebied is de verspreiding sterk versnipperd, en in grote delen van het Centraal en het Iberisch Randgebergte zijn de populaties klein geworden of verdwenen; ook in het Cantabrisch Gebergte en de Pyreneeën is het bezette gebied ingekrompen. In Frankrijk komt de soort voor in vrijwel alle stroomgebieden van de Pyreneeën. Genetisch onderzoek toont in de Franse Pyreneeën een lage genetische diversiteit en een opdeling in een westelijke, centrale en oostelijke groep.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Overwegend nachtactief, met een hoofdpiek rond elf uur 's avonds en een tweede periode van activiteit in de vroege ochtend, samen negen tot tien uur per dag. De desman jaagt op de bodem van de beek, waar hij met de snuit onder stenen zoekt; hij blijft tot ongeveer een minuut onder water. Het voedsel bestaat vooral uit bodemdieren: vlokreeftjes en de larven van haften, kokerjuffers en steenvliegen; per dag eet hij een vijfde tot twee derde van zijn lichaamsgewicht. De leefgebieden zijn lineair en beslaan 350 tot 2300 meter beek, gemiddeld ruim 500 meter; in gunstige beken leven enkele tot ruim tien dieren per kilometer. Individuen kunnen zich ook over grotere afstanden verplaatsen: er zijn dieren gevolgd die in een maand 5 km en in een jaar 18 km stroomopwaarts trokken. De voortplanting begint in januari; een worp telt één tot vijf jongen na een draagtijd van ongeveer 30 dagen, en de jongen zijn het jaar daarop geslachtsrijp. Een desman wordt twee tot vier jaar oud.

Waar en wanneer kijken

Een levende desman is in de praktijk bijna nooit te zien: hij is klein, nachtactief en schuw, en zijn beken zijn 's nachts moeilijk te overzien. Bij de schaarse waarnemingen gaat het om een dier dat in de schemering of bij lamplicht langs de bodem van een ondiepe beek scharrelt. Keutels op uitstekende stenen verraden de aanwezigheid, maar alleen DNA bevestigt de soort. Omdat de soort streng beschermd is, is het verzamelen van keutels en het verstoren van rustplaatsen in Frankrijk, Spanje en Portugal alleen toegestaan binnen erkende onderzoeksprogramma's. Een levend of dood aangetroffen desman kun je met foto en precieze plaats melden bij de regionale natuurbeschermingsinstantie.

Staat van instandhouding

Bedreigd (EN, 2021). De achteruitgang wordt over het hele areaal op ongeveer de helft in tien jaar geschat, en in Spanje is de soort in de eerste nationale Rode Lijst volgens de IUCN-methode (2026) als ernstig bedreigd aangemerkt. Sinds mei 2025 staan alle Spaanse bevolkingen in de categorie 'en peligro de extinción' van de Spaanse catalogus van bedreigde soorten, en is voor de soort de 'situación crítica' afgekondigd, waardoor herstelmaatregelen versneld kunnen worden uitgevoerd; voordien gold alleen de populatie van het Centraal Gebergte als bedreigd en de rest als kwetsbaar. Ook in Portugal staat de soort als bedreigd te boek. De oorzaken liggen in het water: waterwinning voor landbouw en kunstsneeuw, stuwdammen en waterkrachtcentrales die de beken versnipperen en het stromingsregime veranderen, vervuiling, erosie en slibafzetting, oeverwerken, droogte en klimaatverandering, predatie door de otter en de uitgezette Amerikaanse nerts, en de inteelt in kleine, geïsoleerde bevolkingen. In Frankrijk en Spanje lopen nationale actieplannen en verscheidene LIFE-projecten.

Wetenschappelijke naam

Galemys pyrenaicus | (É. Geoffroy Saint-Hilaire, 1811)

É. Geoffroy Saint-Hilaire beschreef de soort in 1811 als Mygale pyrenaica; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Galemys is Grieks, van galē 'wezel' en mys 'muis'. pyrenaicus betekent 'van de Pyreneeën', waar Geoffroy Saint-Hilaire het dier vandaan beschreef. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Frankrijk, Pyreneeën.