Alle soorten › Vleermuizen › Muisstaartvleermuizen › Rhinopoma cystops
Rhinopoma cystops | Rhinopoma cystops
Arabian Mouse-tailed Bat | Rhinopoma cystops
Rhinopoma cystops is een middelgrote klapneusvleermuis (muisstaartvleermuis) van Noord-Afrika, de Sahel, de Hoorn van Afrika en West-Arabië; in het Engels heet hij Arabian mouse-tailed bat. Oldfield Thomas beschreef de vorm in 1903 van Luxor in Egypte. Lang gold cystops als een ondersoort van Rhinopoma hardwickii; in 2007 toonde genetisch onderzoek aan dat alle kleine muisstaartvleermuizen van Noord-Afrika tot het Midden-Oosten één groep vormen, die ongeveer 9 procent in cytochroom-b verschilt van R. hardwickii in engere zin. Oudere opgaven van R. hardwickii uit Egypte en de Levant horen daarom bij deze soort.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
De soort verblijft in droge grotten, ruïnes, ondergrondse gangen en catacomben, moskeeën en oude gebouwen, soms in spleten, kleine nissen en tussen rotsblokken. Meestal hangen er slechts enkele dieren in een dagverblijf of kolonies van 10 tot 50; kolonies tot 200 dieren zijn zeldzaam, en de grootste gemelde groepen, zoals 500 dieren in Jordanië, zijn gemengd met de Egyptische klapneusvleermuis. Voor het uitvliegen maakt een kolonie luide, hoorbare geluiden. Bij contact of bij het binnenkomen van een kolonie produceren dieren sociale roepen, begeleid door trillen van de gespreide vleugels en een opgerichte staart. Op de batdetector klinken korte, vlakke pulsen rond 33 tot 34 kHz.
Herkenning
Een middelgrote vleermuis met een onderarm van 50 tot 67 mm en een gewicht van 6,5 tot 17 g. De staart is zeer lang en dun, duidelijk langer dan de onderarm, en steekt grotendeels vrij buiten het staartvlies uit; het vlies hecht aan het scheenbeen op een vijfde van de lengte vanaf het uiteinde. De grote oren zijn aan de basis door een huidplooi over het voorhoofd verbonden. Het neuskussen heeft opgezwollen zijranden, een brede middenrichel en een uitgesproken bovenrand die uitloopt in een klein driehoekig neusblaadje; de neusgaten zijn spleetvormig en kunnen sluiten. De vacht is zijdeachtig, eenkleurig per haar, donker sepiagrijs op de rug en lichter grijs tot witachtig aan de buikzijde; vleugels en vliezen zijn midden- tot donkerbruin. Stuit en onderbuik zijn kaal of dun behaard. In Libië komen veel lichtere, bijna witte en grotere dieren voor. De echolocatie bestaat uit korte pulsen van bijna constante frequentie met meerdere harmonischen, met de meeste energie in de tweede harmonische bij 32 tot 37 kHz: gemiddeld 34,3 kHz in Jordanië, 33,2 kHz in de Sinaï en 33,6 kHz in Zuid-Marokko. De pulsen duren 4,5 tot 12 milliseconden.
Gelijkende soorten
De Egyptische klapneusvleermuis (Rhinopoma microphyllum) is groter (onderarm 57–74 mm, gewicht 14–40 g), heeft een staart die meestal korter is dan de onderarm en kortere scheenbenen, en roept lager: de tweede harmonische ligt rond 27 tot 31 kHz. In Israël overwinteren beide soorten in dezelfde grotten, soms in gemengde kolonies. De kleine klapneusvleermuis (R. hardwickii) lijkt uitwendig sterk op R. cystops en heeft dezelfde chromosomenformule (2n = 36), maar leeft in de huidige opvatting pas vanaf Zuidoost-Irak oostwaarts; in het gidsgebied is dus alleen R. cystops te verwachten. De Europese bulvleermuis (Tadarida teniotis) en de kaalbuikgrafvleermuis (Taphozous nudiventris) hebben alleen een kort vrij staarteinde.
Leefgebied
Droge en halfwoestijngebieden: halfwoestijngrasland met acaciastruweel, oasen met tuinen en boomgaarden, omringd door zandwoestijn en hamada (kale, rotsige plateaus), en wadi's met tamarisk en oleander, tot ongeveer 1100 m in de Maghreb en West-Arabië. De dieren jagen in open ruimte op ongeveer 10 m hoogte. Volgens onderzoek in Israël verdraagt de soort lagere temperaturen beter dan de Egyptische klapneusvleermuis, wat haar ruimere verspreiding in het Middellandse Zeegebied zou kunnen verklaren.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
De nominaatvorm leeft in Noord-Afrika van Marokko tot de Nijlvallei in Egypte, in Soedan en Noord-Zuid-Soedan en in de Sahel van Oost-Mali tot Noord-Tsjaad. De vorm arabium leeft in het uiterste zuidwesten van Syrië, de Levant, West-Arabië tot Jemen en West-Oman (met Socotra) en de Hoorn van Afrika. Dieren uit de Westelijke Sahara, Mauritanië en Senegal verschillen genetisch 6 tot 9 procent en vormen waarschijnlijk een nog onbeschreven soort. In het gidsgebied valt het voorkomen in de Maghreb, de Nijlvallei, de Sinaï en de Levant.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
In het Middellandse Zeegebied zijn de dieren van oktober tot april inactief. In Israël overwinteren ze in grotten, vaak samen met de Egyptische klapneusvleermuis; ze verlaten het verblijf dan niet om te eten of te drinken en leven van vet dat in augustus tot oktober is opgebouwd. Hun lichaamstemperatuur blijft de hele winter rond 21 tot 23 °C, zonder periodiek ontwaken; een ademcyclus duurt ongeveer 15 minuten. Ze houden de ogen open, reageren direct op prikkels en kunnen bij ongeveer 23 °C lichaamstemperatuur vliegen. Het voedsel bestaat uit kevers en gevleugelde mieren: in Israël in augustus tot oktober 51 procent kevers en 30 procent mieren, in Libië in mei 81 procent gevleugelde mieren. Vrouwtjes krijgen één jong per jaar; in Egypte en Soedan zijn vroege zwangerschappen gevonden van eind maart tot eind april, wat wijst op paring in maart-april, en de zoogperiode loopt tot in augustus. Van mei tot juli leven mannetjes en vrouwtjes gescheiden. Kolonies zijn over veel verblijven verspreid, met wisselende samenstelling.
Waar en wanneer kijken
De uitvlucht bij een oude ruïne, catacombe of grot in de Nijlvallei, de Sinaï of de Levant, kort na zonsondergang, geeft de meeste kans. De lange, dunne staart is bij een laag overvliegend dier in de schemering te zien. Een detector die tussen 25 en 40 kHz luistert, scheidt de roepen rond 34 kHz van die van de Egyptische klapneusvleermuis rond 28 kHz. Betreed geen winterverblijven: de dieren reageren direct op verstoring en verbruiken dan vetreserve.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC, 2016). Het handboek vermeldt geen bedreigingen. Omdat de Westafrikaanse populaties waarschijnlijk een aparte soort vormen, kan de afbakening van de soort, en daarmee de beoordeling, nog veranderen.
Wetenschappelijke naam
Rhinopoma cystops | O. Thomas, 1903
O. Thomas beschreef de soort in 1903 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Rhinopoma is Grieks, van rhis, genitief rhinos, 'neus', en pōma 'deksel', naar de huidkleppen waarmee het dier zijn neusgaten kan afsluiten. cystops is Grieks voor 'blaasgezicht', van kystis 'blaas' en ōps 'gezicht'; Thomas licht de naam niet toe, vermoedelijk slaat hij op de opgezwollen snuit. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Egypte, Luxor.






