Alle soorten › Knaagdieren › Eekhoorns en marmotten › Roodbuikeekhoorn
Roodbuikeekhoorn | Callosciurus erythraeus
Pallas's Squirrel | Callosciurus erythraeus
De roodbuikeekhoorn is een boomeekhoorn uit Zuid- en Zuidoost-Azië die via de handel in huisdieren in Europa is terechtgekomen. De Europese populaties zijn ontstaan in villawijken, parken en tuinen, niet in bos. Vestigingen zijn bekend van de Franse Rivièra, uit Piemonte, uit West-Vlaanderen en uit Nederlands Limburg; de Belgische en de Nederlandse populatie zijn na snel ingrijpen door wegvangen verwijderd.
Sporen
Het meest kenmerkende spoor is schade aan bomen. De soort ringt takken en stammen: de bast wordt in een gesloten band rondom weggeknaagd tot op het cambium, waarna alles boven de ring afsterft. Het resultaat is een kale, lichte zone van enkele centimeters tot een halve meter rond een tak, met dood blad en dode twijgen erboven, vaak op meerdere plaatsen in dezelfde boom en op tientallen bomen in één straat. In Frankrijk en Italië is dit vastgesteld bij pijnboom, plataan, esdoorn, eucalyptus en fruitbomen; ook de Belgische en de Nederlandse populatie zijn aan deze schade ontdekt. Daarnaast knaagt de soort aan telefoon- en elektriciteitskabels, tuinslangen en kunststof leidingen, en in Nederland is dakbeschot aangevreten. De overige sporen zijn niet soortspecifiek: een nestbol van takjes en bast in een vork of tegen de stam, aangevreten noten en zaden op vaste eetplaatsen, en in stof of zand het sprongspoor van vier prenten in een blokje met de vijftenige achtervoeten vóór de viertenige voorvoeten. In Antibes en Acqui Terme is het aanhoudende geratel uit bomen in bebouwd gebied het eerste teken van aanwezigheid.
In zijn leefgebied

De kop van dichtbij

Herkenning
Een eekhoorn van het formaat van de gewone eekhoorn maar zwaarder gebouwd: kop-romp 21 tot 23 cm, staart 18 tot 22 cm, 286 tot 375 gram. De bovenzijde is olijfgrijs tot donker grijsbruin, fijn gespikkeld doordat de haren zwart en geel gebandeerd zijn. Oorpluimen ontbreken; de oorschelp is klein en rond, de kop kort en breed. De buik en de binnenzijde van de poten zijn kastanjerood tot roestrood en scherp afgegrensd tegen de grijze flank. De intensiteit van die kleur verschilt per dier, en over het Aziatische areaal is de soort sterk variabel: bij een deel van de vormen is de buik dofbruin of grijs in plaats van rood. De staart is lang, dicht behaard en vaak zwart-en-geel geringd of gemarmerd met een donkere punt; zittend houdt het dier hem hoog over de rug gebogen. De roep is een hard, ratelend, ver dragend geblaf dat minutenlang kan aanhouden; de soort wordt meestal het eerst aan dit geluid opgemerkt.
Gelijkende soorten
In de Europese vestigingsgebieden komt de soort samen voor met de gewone eekhoorn. Die is roodbruin tot donkerbruin met een zuiver witte buik, draagt in de winter lange oorpluimen en heeft een eenkleurige staart; de roodbuikeekhoorn heeft een rode buik, nooit oorpluimen, en een geringde of donker eindigende staart. De roodbuikeekhoorn beweegt trager, is zwaarder en zit vaker langdurig stil op een tak. In Noord-Italië komt daar de grijze eekhoorn bij, die grijzer is, een witte buik heeft en een staart met een witte zoom. Het aanhoudende ratelende geblaf verschilt van de roep van alle inheemse eekhoorns. In Europa, onder meer in Italië, is ook Finlaysons eekhoorn (Callosciurus finlaysonii) losgelaten; die is meestal geheel roomwit of tweekleurig en heeft geen gespikkelde grijze rug.
Leefgebied
In Azië bos van uiteenlopende typen, van tropisch laaglandbos tot naaldbos hoog in de bergen, en daarnaast aanplant en stadsparken. In Europa is de soort beperkt tot villawijken, parken, tuinen, lanen, pijnbosjes langs de kust en kleine loofbosjes, meestal met veel uitheemse bomen en struiken en in een mild klimaat. Op het Cap d'Antibes leeft hij in parken en tuinen, in Piemonte in gemengd loofbos en boomgaarden rond een stadje, en in Nederland en België leefde hij in en om een dorpskern. Vereist zijn een gesloten kroonlaag om zich door te verplaatsen, een jaarrond gevarieerd aanbod van noten en vruchten, en het ontbreken van langdurige strenge vorst.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Het natuurlijke areaal ligt in Zuid- en Zuidoost-Azië: van Noordoost-India, Bhutan en Bangladesh door Myanmar, Zuid-China, Taiwan en Indochina tot het Maleisisch Schiereiland. Alle Europese vestigingen zijn afkomstig uit de dierenhandel. Frankrijk: op het schiereiland Cap d'Antibes sinds het eind van de jaren zestig, met de gemeenten Antibes-Juan-les-Pins en Vallauris als kern en losse dieren tot voorbij de A8 in het park van de Valmasque; begin deze eeuw is een tweede kern ontdekt bij Entressen (Istres) in de Bouches-du-Rhône. Sinds 2010 loopt er een nationaal bestrijdingsplan. Italië: sinds 1981 bij Acqui Terme in Piemonte, vanwaar de soort zich langzaam over het omringende heuvelland heeft uitgebreid. België: een populatie bij Dadizele in West-Vlaanderen, ontstaan uit ontsnapte dieren, is door wegvangen verwijderd. Nederland: meldingen vanaf 1998 en een populatie bij Weert (Tungelroy en Nederweert), die in 2017 was weggevangen; sindsdien is de soort vrijwel zeker weer uit het land verdwenen. Elders in Europa is de soort niet gevestigd. Buiten Europa is ze losgelaten en ingeburgerd in Japan en Argentinië.
- Ingeburgerd
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Uitgesproken dagactief, met een piek in de ochtend en een tweede in de late middag, en het hele jaar actief: de soort houdt geen winterslaap of winterrust, wat haar in Noord-Europa kwetsbaar maakt voor strenge winters. Alleseter met een sterke voorkeur voor plantaardig voedsel: noten, zaden, vruchten, bloemen, knoppen, bast en cambium, aangevuld met insecten, slakken, vogeleieren en jonge vogels. De dieren leven niet in groepen maar in overlappende leefgebieden van ongeveer één tot drie hectare; een dominant mannetje bewaakt een vrouwtje na de paring ongeveer een halfuur. In het Aziatische areaal kan het hele jaar door worden gepaard; in Europa vallen de worpen in het voorjaar en de nazomer, met één tot vier jongen die in een nestbol of boomholte worden geboren. Het slaapnest is een bol van takjes, bladeren en gerafelde bast, hoog in een vork.
Waar en wanneer kijken
Zoek de soort in Europa in bebouwd gebied, niet in bos. In Antibes en Juan-les-Pins is ze in de tuinen en parken van het Cap regelmatig te zien, rond Acqui Terme in de boomgaarden en het parkbos aan de stadsrand. Ga vroeg in de ochtend en luister eerst: het lange, harde geratel vanuit een boomkroon wijst de plek sneller aan dan zoeken met de ogen. Controleer daarna de bomen op takken met een kale ring en dood blad erboven. Meld elke waarneming van een uitheemse eekhoorn buiten de bekende vestigingen; bij deze soort is verwijdering alleen gelukt waar vroeg is ingegrepen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC, 2016); het Aziatische areaal is groot, en de soort lijdt er plaatselijk onder jacht. Die beoordeling heeft geen betrekking op de Europese populaties. In de EU staat de roodbuikeekhoorn sinds 3 augustus 2016 op de Unielijst van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten (Verordening 1143/2014): houden, kweken, vervoeren, verhandelen en loslaten zijn verboden, met een overgangsregeling voor bestaande houders, en de lidstaten moeten nieuwe vestigingen uitroeien. De bezwaren zijn schade aan bomen door ringen, schade aan kabels, leidingen en dakbeschot, predatie op vogelnesten, en de mogelijkheid dat de soort de gewone eekhoorn op het vasteland verdringt zoals de grijze eekhoorn in Groot-Brittannië heeft gedaan; onderzoek in Piemonte wijst op concurrentie met de gewone eekhoorn, al is het beeld daar minder eenduidig dan in het Britse geval. Kleine, geïsoleerde populaties zijn bij snel ingrijpen verwijderd: in België die bij Dadizele, in Nederland die bij Weert (in 2017, na een afvangoperatie). In Frankrijk, waar de soort een halve eeuw ongemoeid bleef voordat het plan van 2010 begon, geldt uitroeiing niet meer als haalbaar.
Wetenschappelijke naam
Callosciurus erythraeus | (Pallas, 1779)
Pallas beschreef de soort in 1779 als Sciurus erythraeus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Callosciurus verbindt het Griekse kallos 'schoonheid' met Sciurus: de fraaie eekhoorn. erythraeus is het Griekse erythraios 'rood', naar de roodbruine onderzijde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit India, Assam.





