Alle soorten › Knaagdieren › Eekhoorns en marmotten › Thaise eekhoorn

Thaise eekhoorn | Callosciurus finlaysonii

Finlayson’s Squirrel | Callosciurus finlaysoniie

De Thaise eekhoorn is een boomeekhoorn uit Zuidoost-Azië die in Italië op twee plaatsen is losgelaten en zich daar heeft gevestigd. De Italiaanse populaties gaan terug op enkele ontsnapte of vrijgelaten huisdieren: vier dieren in een stadspark in 1981 en drie of vier paartjes halverwege de jaren tachtig. Veertig jaar later breidt de soort zich langs de Tyrreense kust van dorp tot dorp uit en veroorzaakt daarbij schade aan bomen door het ringen van stammen en takken.

Thaise eekhoorn (Callosciurus finlaysonii)
Foto: Alexey Komarov — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Het duidelijkste spoor van deze soort is schade aan bomen. De Thaise eekhoorn schilt bast; in het stadspark in Piemonte waar de soort is losgelaten, was uiteindelijk ongeveer tachtig procent van de bomen beschadigd. Kenmerkend zijn verse, lichtgekleurde plekken waar de bast in repen is weggetrokken, vaak hoog in de kroon en rond takaanzetten, met tandgroeven in het spinthout; wordt een stam of een zware tak geheel geringd, dan sterft het deel erboven af. In Italië gaat het vooral om parasolden, eik, olijf en johannesbroodboom. Onder voedselbomen liggen aangevreten zaden en vruchten, afgebeten bloemknoppen en in de winter afgeknaagde twijgen. Het nest is een bolvormige bal van bladeren en twijgen in een takvork of tegen de stam, kleiner en slordiger dan een kraaiennest. Prenten worden zelden gevonden, omdat de dieren nauwelijks op de grond komen: ze brengen het grootste deel van de dag in de kroon door en steken open plekken springend over. De roep is het gemakkelijkste aanknopingspunt: een hard, herhaald, blaffend geratel vanaf een tak, dat in een dorpsstraat over enige afstand hoorbaar is.

In zijn leefgebied

Thaise eekhoorn, in de italiaanse bevolking: een bleek dier met roestrode staart hoog in een kroon van loofhout; de determinatie rust op het kleurbeeld van de ondersoort bocourti en op de italiaanse herkomst van de opname
In de Italiaanse bevolking: een bleek dier met roestrode staart hoog in een kroon van loofhout; de determinatie rust op het kleurbeeld van de ondersoort bocourti en op de Italiaanse herkomst van de opname · Foto: Gabriele Brigante — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

De kop van dichtbij

Thaise eekhoorn, kop van dichtbij op een omgevallen stam, thailand: korte stompe snuit, kleine ronde oren zonder pluimen en de bleke wangen naast de roestrode staart
Kop van dichtbij op een omgevallen stam, Thailand: korte stompe snuit, kleine ronde oren zonder pluimen en de bleke wangen naast de roestrode staart · Foto: atheist — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een middelgrote boomeekhoorn met een lange, volle staart die ongeveer even lang is als kop en romp samen. De kleur is over het hele areaal zeer variabel: van geheel roomwit via grijs, geelbruin en rossig tot geheel zwart, en die verschillen bestaan niet alleen tussen de zestien ondersoorten maar ook tussen dieren uit hetzelfde bos. De Italiaanse dieren behoren tot de ondersoort bocourti en hebben meestal een bleek grijsbeige tot vuilwit lichaam en kop en een roestrode tot oranje staart, soms met een witachtige punt. Het contrast tussen het bleke lichaam en de rode staart is in Europa het bruikbaarste kenmerk. De kop is kort en rond met een stompe snuit; de oren zijn klein en rond en hebben geen pluimen, waardoor de soort in de winter direct van de gewone eekhoorn te onderscheiden is. Handen en voeten zijn donker, de klauwen lang en scherp, en de dieren verplaatsen zich in snelle, horizontale sprongen door de kroon, met de staart gestrekt erachter.

Gelijkende soorten

De voornaamste verwarringssoort is de andere ingevoerde Aziatische eekhoorn. Pallas' eekhoorn (Callosciurus erythraeus), die in Noord-Italië, Zuid-Frankrijk, België en Nederland voorkomt, heeft dezelfde bouw en dezelfde ronde oren zonder pluimen, maar is van boven olijfgrijs tot gespikkeld grijsbruin en heeft een kastanjebruine tot roodbruine buik; bij de Thaise eekhoorn zit het rood in de staart en is de buik bleek. Waar beide voorkomen, is de buik doorslaggevend en niet de rug. De gewone eekhoorn (Sciurus vulgaris) heeft een smallere kop, draagt in de winter lange oorpluimen en heeft een staart in dezelfde kleur als de rug. De grijze eekhoorn (Sciurus carolinensis) is groter en zwaarder, egaal grijs met roestkleurige flanken en een grijze staart met witte zoom. Geheel zwarte of geheel witte Thaise eekhoorns komen in het oorspronkelijke areaal normaal voor; een afwijkende kleur wijst dus niet vanzelf op een andere soort. In Italië is ook de vindplaats bepalend: buiten Acqui Terme en de kust van Maratea tot Scalea is de soort nog nergens gevestigd.

Leefgebied

In het oorspronkelijke areaal dichte en open laaglandbossen, kokospalmaanplant en stadsparken. In Italië leeft de soort in door mensen aangeplant groen: stadsparken, laanbomen, tuinen, parasoldennenbossen langs de kust, oude olijfgaarden en macchia met johannesbroodbomen. De soort verdraagt bebouwing goed en kan zich in versnipperd groen handhaven zolang de kronen elkaar raken of de afstand springend te overbruggen is; daardoor volgt zij de kustplaatsen. Modellen voor Italië geven aan dat het geschikte gebied veel groter is dan het nu bezette gebied, en dat het zwaartepunt in de kustzone en de bebouwde omgeving ligt.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Oorspronkelijk Zuidoost-Azië: Thailand, Myanmar, Laos, Cambodja en Vietnam. In Europa komt de soort alleen in Italië gevestigd voor, op twee gescheiden plaatsen. De noordelijke populatie leeft in en rond Acqui Terme in Piemonte en blijft klein en plaatsgebonden. De zuidelijke populatie is ontstaan bij Maratea in Basilicata en breidt zich langs de Tyrreense kust uit; zij is inmiddels ook gemeld bij Sapri, Policastro, Scario, Camerota, Ascea en Palinuro in Campanië en bij Praia a Mare en Scalea in Calabrië, tot in het Nationaal Park Cilento. Elders in Europa zijn er alleen losse waarnemingen van ontsnapte dieren, zonder vestiging.

  • Ingeburgerd
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Uitsluitend dagactief, met de meeste activiteit in de ochtend en de late middag; er is geen winterrust, en de soort is het hele jaar te zien. Het voedsel is overwegend plantaardig: vruchten en zaden van het seizoen, knoppen en bloemen, en in het koude halfjaar sap en bast, waaruit de schade aan bomen voortkomt. Noten en zaden worden niet begraven maar in het nest of in een takvork opgeslagen. Insecten, vooral mieren, vormen een klein deel van het voedsel. De dieren leven niet in groepen, maar hun leefgebieden overlappen sterk en meerdere dieren gebruiken dezelfde voedselbomen. Ze brengen vrijwel de hele dag in de kroon door en komen weinig op de grond. In Italië worden in meerdere maanden van het jaar jongen geboren; over de voortplanting van de Europese populaties is verder weinig bekend.

Waar en wanneer kijken

In Acqui Terme leeft de noordelijke populatie al veertig jaar op enkele hectaren in het stadspark en de laanbomen rond het station; een winterochtend, wanneer de bomen kaal zijn, geeft het beste zicht. Aan de kust van Basilicata en Campanië (Maratea, Acquafredda, Sapri, Scario) zijn de oude olijfgaarden en de parasoldennen boven de kustweg in de eerste uren na zonsopgang geschikte zoekgebieden. Kijk ook naar de stammen: verse schilplekken wijzen op aanwezigheid van de soort. Let daarnaast op het blaffende geratel, dat ver draagt. Leg waarnemingen buiten deze twee gebieden met een foto vast en meld ze; aan de rand van het uitbreidingsgebied is elke gedateerde waarneming van belang.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (LC, 2017); deze beoordeling heeft betrekking op Zuidoost-Azië, waar de soort wijdverbreid en algemeen is. Sinds 2 augustus 2022 staat de soort op de Unielijst van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten (Verordening 1143/2014): houden, kweken, vervoeren, verhandelen, gebruiken en loslaten zijn verboden, en lidstaten moeten nieuwe vestigingen snel verwijderen en bestaande populaties beheersen. De bezwaren zijn tweeledig. Het eerste is schade aan bomen: het ringen van parasoldennen, eiken, olijven en johannesbroodbomen kan hele lanen en boomgaarden aantasten, en in het park van Acqui Terme raakte het overgrote deel van de bomen beschadigd. Het tweede betreft de gewone eekhoorn, in het bijzonder de donkere Zuid-Italiaanse vorm: bij de nauw verwante Pallas' eekhoorn is elders in Italië vastgesteld dat een ingevoerde Aziatische eekhoorn de inheemse eekhoorn uit een gebied kan verdringen. Om die reden dringen onderzoekers aan op uitroeiing zolang de zuidelijke populatie nog beperkt van omvang is; zij verwijzen daarbij naar de uitbreiding van de grijze eekhoorn in Piemonte.

Wetenschappelijke naam

Callosciurus finlaysonii | (Horsfield, 1824)

Horsfield beschreef de soort in 1824 als Sciurus finlaysonii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Callosciurus verbindt het Griekse kallos 'schoonheid' met Sciurus: de fraaie eekhoorn. finlaysonii eert de Schotse natuuronderzoeker George Finlayson (1790–1823), die als arts en verzamelaar meeging op de Britse gezantschapsreis naar Siam van 1821–1822. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Thailand, Koh Si Chang.