Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Sardijnse grootoorvleermuis

Sardijnse grootoorvleermuis | Plecotus sardus

Sardinian long-eared bat | Orejudo Sardo

De Sardijnse grootoorvleermuis is endemisch op Sardinië. Mucedda, Kiefer, Pidinchedda en Veith beschreven haar in 2002 naar een volwassen mannetje dat op 22 september 2001 dood werd gevonden in een grot in de vallei van Lanaitto bij Oliena (provincie Nuoro); de soort is met DNA-sequenties eenduidig te herkennen. Zij combineert kenmerken van de gewone en de grijze grootoorvleermuis en heeft volgens de beschrijvers de langste tragus van de Europese grootoorvleermuizen, meer dan 18 mm. Onderarm 41,1 tot 42,2 mm. Sinds 2023 staat zij als ernstig bedreigd (CR) op de mondiale Rode Lijst.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

Er zijn weinig verblijven bekend. De soort is gevonden in natuurlijke grotten in karstgebied, en daarnaast in zolders, viaducten en tunnels. Vier kraamkolonies waren bekend toen het handboek verscheen; kolonies tellen van een dozijn tot ongeveer 200 dieren. Onder hangplekken liggen keutels. Op de batdetector is de soort niet van de andere grootoorvleermuizen te scheiden.

Herkenning

Een middelgrote grootoorvleermuis, zo groot als de grijze en de berggrootoorvleermuis en groter dan de gewone grootoorvleermuis. Maten van het type-exemplaar: kop-romp 45 mm, staart 51 mm, oor 37,5 mm, tragus 18,5 mm lang en 6,5 mm breed, onderarm 41,2 mm, duim 6,0 mm. De rugvacht is fijn en wollig, ongeveer 10 mm lang, bruin, met driekleurige haren: de onderste 6 mm zeer donker bruingrijs, dan 2,5 mm witachtig lichtbruin en een bruine punt van 1,5 mm. De buikzijde is witachtig tot lichtbruin; de overgang tussen rug en buik is scherp. De oren zijn lichtbruin met een roodachtige tint; de tragus is lichtbruin tot geelachtig wit en min of meer recht. De snuit is smaller en minder gezwollen dan bij de gewone grootoorvleermuis, licht rozebruin en zonder donker masker. Onder de kin zit een kaal klierwratje. De vlieghuid is bruin met een roodachtige zweem en is aan de basis van de teen vastgehecht; het spoorbeen is 18 mm lang met een klein lobje aan het eind. De penis is bijna cilindrisch en alleen aan de punt spits. De echolocatie heeft twee harmonischen die elkaar overlappen; de eerste daalt van 45–53 kHz naar 17–21 kHz.

Gelijkende soorten

Op Sardinië komen ook de gewone grootoorvleermuis (P. auritus) en de grijze grootoorvleermuis (P. austriacus) voor. De Sardijnse soort lijkt op de gewone in de bruine rugvacht en de lengte van duim en duimklauw, en op de grijze in de witachtige buik, de breedte van de tragus en de lengte van de onderarm. Van beide verschilt zij door de lengte van de tragus (meer dan 18 mm) en de vorm van de penis: bijna cilindrisch, tegen smal toelopend bij de gewone en knotsvormig bij de grijze. Van de grijze verschilt zij verder door de lichte, rozebruine snuit zonder donker masker. De vorm van de penis deelt zij met de berggrootoorvleermuis (P. macrobullaris), die op Sardinië niet is vastgesteld maar wel op Corsica; het penisbeen is bij de twee soorten verschillend van vorm. Uitwendig is de determinatie zonder maten niet sluitend; met een stukje van het 16S-rRNA-gen verschilt de soort op 21 tot 44 posities van de andere Europese soorten.

Leefgebied

Over het leefgebied is weinig bekend. De eerste drie vindplaatsen liggen in de bosrijkste streken van het eiland, ongeveer 60 km uit elkaar: twee in kalkgebergte in het midden-oosten van Sardinië, in de omgeving van het nationale park Gennargentu en Golf van Orosei, niet ver van de kust, en een laag gelegen plek in het midden van het eiland, bij het stuwmeer van Omodeo aan de Tirso. Latere vondsten komen ook uit olijfgaarden en kurkeikenbos. Vermoed wordt dat de soort in bos jaagt en in grotten verblijft.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Endemisch op Sardinië en daar bekend uit enkele, dicht bij elkaar gelegen gebieden in het midden en oosten van het eiland: de dalen van Lanaitto (Oliena) en Baccu Addas (Baunei) in de provincie Nuoro en de omgeving van het Omodeomeer (Ula Tirso, provincie Oristano). De soort is monotypisch. Genetisch staat zij het dichtst bij de gewone en de berggrootoorvleermuis.

Levenswijze

Over activiteit, voedsel en verplaatsingen zijn geen gegevens gepubliceerd; vermoed wordt dat de dieren nachtvlinders vangen in structuurrijk mediterraan bos. De soort geldt als honkvast. De vier bekende kraamkolonies samen worden op minder dan 1000 voortplantende dieren geschat; over de voortplanting zelf is weinig bekend. Ook over de overwintering is niets gepubliceerd; de andere Europese grootoorvleermuizen brengen de winter in winterslaap door.

Waar en wanneer kijken

De soort is alleen met maten aan een dier in de hand of met DNA te determineren, en vangen of hanteren is alleen met een vergunning toegestaan. Grotten in het kalkgebied van Oliena en Baunei worden door toeristen bezocht; betreed geen grotten of gangen waar vleermuizen hangen. Waarnemingen van grootoorvleermuizen op Sardinië, met plaats en datum, zijn voor de verspreidingskaart van belang, ook als de soort niet vaststaat.

Staat van instandhouding

Ernstig bedreigd (CR) op de mondiale Rode Lijst, beoordeling 2023; bij de vorige beoordeling stond de soort als kwetsbaar (VU). Er zijn vier kraamkolonies bekend, samen minder dan 1000 voortplantende dieren. Genoemde bedreigingen zijn het beperkte en afnemende bosareaal op Sardinië, bosbouw en ontbossing, en verstoring van verblijven, vooral door grotbezoek en toerisme. Als Europese vleermuis valt de soort onder bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de Conventie van Bern en het EUROBATS-verdrag.

Wetenschappelijke naam

Plecotus sardus | Mucedda, Kiefer, Pidinchedda, & Veith, 2002

Mucedda, Kiefer, Pidinchedda, & Veith beschreef de soort in 2002 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Plecotus is Grieks, van plekein 'vlechten, in elkaar draaien' en ous, genitief ōtos, 'oor', naar de reusachtige oren die boven het voorhoofd aan elkaar vastzitten. sardus is Latijn voor 'Sardisch'; de soort komt alleen op Sardinië voor. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Italië, Sardinië.