Alle soorten › Knaagdieren › Blindmuizen › Spalax graecus

Spalax graecus | Spalax graecus

Bukovina Blind Mole-rat | Rata-topo de Bukovina

Spalax graecus is een grote blindmuis van Boekovina, in het grensgebied van Roemenië, Oekraïne en Moldavië; een Nederlandse naam heeft de soort niet, het Spaans noemt haar naar Boekovina. De wetenschappelijke naam berust op een fout: Nehring beschreef de soort in 1898 naar een exemplaar waarvan hij aannam dat het uit de omgeving van Athene kwam, en noemde haar daarom graecus. In 1969 stelde Topachevskii vast dat de herkomst verkeerd was vermeld en verlegde hij de typelocatie naar de omgeving van Tsjernivtsi in Oekraïne, ruim veertienhonderd kilometer van Griekenland. Volgens de nomenclatuurregels bleef de naam behouden. In 2013 toonden Németh en collega's aan dat de twee vormen die tot dan toe als ondersoorten golden, antiquus uit Transsylvanië en istricus uit de Walachijse vlakte, aparte soorten zijn; daardoor kromp het areaal van S. graecus tot een fractie van de vroegere omvang.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

De aardhopen zijn het belangrijkste spoor. Ze zijn breed en laag in plaats van kegelvormig, bestaan uit grove kluiten in plaats van fijne kruimels, hebben geen zichtbare gangopening, omdat de gang van binnenuit wordt dichtgestopt, en liggen bij Spalax dicht bijeen, zodat een bewoond stelsel een omgewoeld stuk weide vormt. Een molshoop is kleiner, hoger, fijner van korrel en komt uit een verticale schacht. Onder de grond ligt een ondiep netwerk van voedselgangen op twintig tot vijfentwintig centimeter in voorjaar en zomer en dertig tot vijfendertig centimeter in de winter, wanneer het dier dieper gaat naarmate de grond bevriest, met daaronder de diepe kamers; het stelsel reikt gewoonlijk tot een meter diep en uitzonderlijk tot drieënhalve meter. Er zijn één of twee nestkamers en verscheidene voorraad- en latrinekamers. De voorraadkamers bevatten vierhonderd gram tot twaalf kilo verzameld wortelmateriaal. Verder zijn er afgeknaagde wortels en wortelstokken in de gang, en plekken aan de oppervlakte waar een plant van onderaf is weggetrokken. Een ander spoor zijn verkeersslachtoffers langs de weg. Een analyse uit 2013 plaatste de soort op de tweede plaats van Europese zoogdieren die het kwetsbaarst zijn voor verkeerssterfte, en in Boekovina is de berm daardoor een van de plaatsen waar de soort het vaakst wordt vastgesteld.

Herkenning

Een grote blindmuis van 21,7 tot 28 centimeter en 415 tot 700 gram, halsloos en cilindrisch, met een brede, platte, wigvormige kop en een zware voorhand. De vacht is zacht en matig lang, over het grootste deel van de rug geelbruin, met een grijzere buik en kop. Oorschelpen ontbreken, de ogen zijn lenzen van ongeveer een millimeter onder een gesloten huidplooi, en een uitwendige staart ontbreekt; geen van de geraadpleegde bronnen geeft er een maat voor. Vanaf de kale neusspiegel loopt een rand van lichte, stugge haren naar achteren in de richting van de oorstreek; de snijtanden steken vóór de lippen uit. Het chromosoomgetal is 2n = 62. De kenmerken waarmee Németh en collega's de soort in 2013 van de verwante soorten scheidden, liggen alle in de schedel: neusbeenderen die naar achteren voorbij het tussenkaaksbeen reiken en een vlakke onderrand van de incisura corono-alveolaris in de onderkaak. Deze kenmerken zijn alleen aan museummateriaal vast te stellen.

Gelijkende soorten

Aan een levend dier is de soort niet te herkennen, en het chromosoomgetal is niet beslissend, omdat alle Spalax-soorten 2n = 60 of 62 hebben. De scheiding van S. antiquus en S. istricus berust op schedelmaten en mitochondriaal DNA. In het veld is alleen het areaal bruikbaar, en dat is klein maar duidelijk begrensd: het heuvelland van Boekovina tussen de Karpaten in het westen en de Proet in het oosten. Ten westen van de Karpaten, in de Transsylvanische vlakte, leeft S. antiquus; ten zuiden, in de Walachijse vlakte, leefde S. istricus; ten oosten en zuidoosten beginnen de arealen van S. zemni en de kleine blindmuizen van Dobroedzja. Het onderscheid tussen Spalax en Nannospalax is wel met het oog te maken, en dat is het enige veldkenmerk in deze groep. Een Spalax is twintig tot ruim dertig centimeter lang en weegt vier- tot zevenhonderd gram; een Nannospalax weegt ongeveer zoveel als een grote rat en haalt zelden een halve kilo. Dit verschil is ook met DNA bevestigd (Németh en collega's, 2013). De aardhopen tonen het verschil duidelijker: een Spalax maakt een dicht veld van hopen op één tot twee meter van elkaar, terwijl de hopen van een Nannospalax in een dunne lijn liggen met twintig tot dertig meter ertussen. Verder zijn uit te sluiten de mol, kleiner, met schopvormige voorpoten en een kort staartje, en de woelrat, met gewone oren, ogen en een lange staart.

Leefgebied

Overjarig grasland, steppe en akkerland in het heuvelland van Boekovina. De soort leeft in wegbermen, weiden, bieten- en aardappelakkers, moestuinen en boomgaarden en langs bosranden, maar niet in gesloten bos. Modelonderzoek plaatst geschikt leefgebied tussen negenendertig en achthonderdachtenveertig meter hoogte. De soort vereist, net als alle verwante soorten, diepe, losse, goed doorlatende grond met een ondergrondse voorraad aan wortels, knollen en bollen. Kleinschalige, extensief bewerkte percelen worden verdragen, diepploegen niet.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Een klein gebied waar Noordoost-Roemenië, Zuidwest-Oekraïne en Noordwest-Moldavië samenkomen, grotendeels samenvallend met de historische landstreek Boekovina. Het areaal wordt in het oosten begrensd door de Proet en in het westen door de Karpaten; er zijn dertien vindplaatsen bekend. De typelocatie is de omgeving van Tsjernivtsi; Nehrings oorspronkelijke 'omgeving van Athene' berustte op een verkeerd etiket en is in 1969 gecorrigeerd. Op de Britse Eilanden, in de Lage Landen en op het Iberisch Schiereiland komen geen blindmuizen voor.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Volledig ondergronds levend, het hele etmaal actief, met de meeste graafactiviteit aan het begin en het eind van de dag. De soort houdt geen winterslaap en geen winterrust: in de winter liggen de voedselgangen tien centimeter dieper en leeft het dier van zijn voorraad. Het voedsel is plaatselijk onderzocht: knolspirea, duizendblad, ruige weegbree, kweek, smeerwortel en cichorei. De dieren leven solitair. De dichtheden zijn sterk gedaald: vroeger één tot tien dieren per hectare in akkerland en tot drieëntwintig onder natuurlijker omstandigheden, tegenwoordig in akkerland 0,2 tot 2 dieren per hectare. De voortplanting begint in januari, piekt in februari en loopt door tot in maart; in maart of april worden twee tot vier jongen van achttien tot twintig gram geboren, die na ongeveer drie weken worden gespeend en zich eind april en in mei bovengronds verspreiden. Vrouwtjes planten zich pas in hun tweede jaar voort. Predatoren zijn vos en marterachtigen, en voor de zich verspreidende jongen ook roofvogels.

Waar en wanneer kijken

Ga in april of mei naar het heuvelland van Boekovina, tussen Tsjernivtsi, Suceava en Botoșani, en zoek in bermen, langs perceelsranden en in niet-geploegde weiden, waar de hopen liggen. Kijk over het terrein in plaats van vlak voor je; een bewoond stelsel is een groep brede, lage, grofkluitige hopen dicht bij elkaar, en verse, donkere, vochtige aarde betekent dat het dier er nu leeft. Eind april en in mei verspreiden de jongen zich bovengronds; in die periode is een blindmuis het best te zien, maar vallen ook de meeste verkeersslachtoffers. Rij er langzaam en meld vondsten: de kennis van de verspreiding van deze soort berust grotendeels op losse meldingen.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar (VU, 2024). Sinds de herziening van 2013 heeft de beoordeling alleen betrekking op de dieren van Boekovina; eerdere beoordelingen omvatten ook S. antiquus en S. istricus en gaven daardoor een gunstiger beeld. Het areaal is klein, de dertien bekende vindplaatsen liggen los van elkaar, en de dichtheden in akkerland zijn tot een fractie van de vroegere waarden gedaald. De belangrijkste bedreiging is intensivering van de landbouw: het scheuren en diepploegen van overjarig grasland en de samenvoeging van kleine percelen tot grote. De toetreding van Roemenië tot de Europese Unie in 2007 wordt daarbij uitdrukkelijk als versnellende factor genoemd. Daarnaast is, anders dan bij de meeste verwante soorten, verkeer een bedreiging: in een Europese analyse uit 2013 kwam de soort naar voren als het op één na kwetsbaarste zoogdier voor verkeerssterfte, zodat elke nieuwe weg in het kleine areaal een aanzienlijk effect heeft. Waar nog kleinschalig en zonder diepe grondbewerking wordt geboerd, handhaaft de soort zich.

Wetenschappelijke naam

Spalax graecus | Nehring, 1898

Nehring beschreef de soort in 1898 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Spalax is het Griekse spalax, ook aspalax, 'mol'. graecus is Latijn voor 'Grieks', maar de soort komt in Griekenland niet voor: zij leeft in de Karpaten en in Boekovina. Waarop Nehring de naam baseerde is niet duidelijk. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Oekraïne, Bukovina.