Alle soorten › Knaagdieren › Blindmuizen › Spalax istricus
Spalax istricus | Spalax istricus
Oltenia Blind Mole-rat | Spalax istricus
Spalax istricus is een blindmuis van de Walachijse vlakte in Zuid-Roemenië; een Nederlandse naam heeft de soort niet, het Engels noemt haar naar Oltenië. Op de Rode Lijst staat ze als ernstig bedreigd, met de toevoeging mogelijk uitgestorven. Méhelÿ beschreef het taxon in 1909 naar dieren uit Bârza in het Roemeense district Olt, als ondersoort van Spalax graecus; in 2013 toonden Németh en collega's met schedelmetingen en DNA aan dat het een aparte, goed afgegrensde soort is. Op dat moment was de soort al dertig jaar niet meer waargenomen: sinds 1983 is er geen enkele waarneming gedaan, ondanks herhaald zoekwerk op de plaatsen waar ze bekend was.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
Specifiek voor deze soort is niets over het graafwerk bekend; het volgende geldt voor het geslacht en waarschijnlijk ook voor deze soort. De hopen zijn breed, laag en grofkluitig, zonder zichtbare gangopening, omdat de gang van binnenuit wordt dichtgestopt, en liggen bij Spalax dicht bij elkaar, zodat een bewoond stelsel een omgewoeld stuk grasland vormt. Een molshoop is kleiner, hoger, fijner van korrel en komt uit een verticale schacht. Verder, eveneens naar het geslacht: een ondiep netwerk van voedselgangen met daaronder, via verticale schachten bereikbaar, een met gras bekleed nest, voorraadkamers en latrines, en aan de oppervlakte plekjes waar een plant van onderaf is weggetrokken. Van belang zijn vooral de negatieve waarnemingen: op de plaatsen waar de soort bekend was, is bij herhaald zoekwerk geen enkele verse hoop meer gevonden.
Herkenning
De kennis van deze soort berust op enkele museumexemplaren. Die geven een kop-romplengte van ongeveer 24 centimeter; een gewicht is niet vastgelegd, en een uitwendige staart ontbreekt. De kleur wordt als variabel beschreven; in de oorspronkelijke beschrijving is de soort roodbruin op de rug en roestkleurig aan de onderzijde, en in de literatuur wordt ze daarom de roodste blindmuis van Europa genoemd. Verder is de bouw die van alle verwante soorten: halsloos en cilindrisch, met een brede, platte kop, een zware voorhand, geen oorschelpen, geen zichtbare ogen en geen staart, en snijtanden die vóór de lippen uitsteken. Het kenmerk waarmee Németh en collega's de soort in 2013 van de verwante soorten scheidden, zit in de schedel: een snuit die aan de bovenzijde versmald en aan de onderzijde verbreed is. Genetisch materiaal ontbreekt, zodat de verwantschap binnen het geslacht onbekend is.
Gelijkende soorten
Aan een levend dier is de soort niet vast te stellen, en binnen Spalax helpt ook het chromosoomgetal niet, omdat alle soorten van het geslacht 2n = 60 of 62 hebben. In het veld is alleen het areaal bruikbaar. In de Walachijse vlakte, in Oltenië en Muntenië, was dit de enige blindmuis; ten noorden van de Karpaten leven S. antiquus in Transsylvanië en S. graecus in Boekovina, en in Dobroedzja, ten oosten van de Donau, beginnen de kleine blindmuizen. Het onderscheid tussen Spalax en Nannospalax is met het oog te maken en is een bruikbaar veldkenmerk: een Spalax is twintig tot ruim dertig centimeter lang en weegt vier- tot zevenhonderd gram, een Nannospalax weegt ongeveer zoveel als een grote rat en haalt zelden een halve kilo. Dit verschil is ook met DNA bevestigd (Németh en collega's, 2013). De aardhopen tonen hetzelfde: een Spalax maakt een dicht veld van hopen, een Nannospalax een dunne lijn hopen met twintig tot dertig meter ertussen. Verder zijn uit te sluiten de mol, kleiner, met schopvormige voorpoten en een kort staartje, en de woelrat, met gewone oren, ogen en staart. Een blindmuishoop in de Walachijse vlakte kun je het best fotograferen, van coördinaten voorzien en melden.
Leefgebied
Steppe- en bossteppevegetatie op het heuvelige en vlakke land van de Walachijse vlakte, en daarnaast akkers en boomgaarden. De soort vereiste wat alle verwante soorten vereisen: diepe, losse, goed doorlatende grond met een ondergrondse voorraad aan wortels, knollen en bollen. Dit landschap is in Oltenië en Muntenië in de twintigste eeuw vrijwel geheel omgezet in grootschalig, diep bewerkt bouwland, wat als hoofdoorzaak van het verdwijnen van de soort geldt.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Zuid-Roemenië: de historische landstreken Oltenië en Muntenië, samen de Walachijse vlakte. De typelocatie is Bârza in het district Olt. Nauwkeuriger verspreidingsgegevens ontbreken, omdat de laatste zekere waarneming dateert van 1983 en de oude vindplaatsen sindsdien zonder resultaat zijn onderzocht. Als de soort nog bestaat, is haar verspreidingsgebied klein en haar populatie sterk versnipperd. Op de Britse Eilanden, in de Lage Landen en op het Iberisch Schiereiland komen geen blindmuizen voor.
Levenswijze
Over de levenswijze van deze soort afzonderlijk is niets gepubliceerd: geen dagritme, geen voedselkeuze, geen voortplantingsgegevens en geen dichtheden. De soort werd pas als zodanig erkend toen ze al niet meer werd waargenomen. Op grond van de verwante soorten geldt met redelijke zekerheid: ze leefde volledig ondergronds, was het hele etmaal actief met de meeste graafactiviteit aan het begin en het eind van de dag, hield geen winterslaap en geen winterrust maar leefde de winter door op haar voorraadkamers, at bollen, knollen, wortelstokken en dikke wortels, en leefde solitair. Net als de verwante soorten werd ze in de landbouw als schadelijk dier vervolgd.
Waar en wanneer kijken
Er is geen plek waar de soort met enige kans te zien is. Wie in Oltenië of Muntenië in maart of april op een niet-geploegde perceelsrand, een oude dijk, een spoorberm of in een boomgaard een groep brede, lage, grofkluitige aardhopen aantreft, kan die fotograferen met een voorwerp van bekende grootte ernaast, de coördinaten noteren en de vondst melden bij een Roemeense natuurorganisatie of via een waarnemingenportaal. Eén bevestigde waarneming zou de soort van de lijst van mogelijk uitgestorven soorten kunnen halen.
Staat van instandhouding
Ernstig bedreigd, mogelijk uitgestorven (CR, 2024). Dit is de zwaarste categorie voor een soort die niet uitgestorven is verklaard. De onderbouwing is dat er sinds 1983 geen enkele waarneming is gedaan, ondanks herhaald zoekwerk op de vroegere vindplaatsen. Als de soort nog ergens voorkomt, is haar verspreidingsgebied klein en haar populatie sterk versnipperd. De belangrijkste oorzaak is de omzetting van de Walachijse steppe in grootschalig, diep geploegd akkerland, met daarnaast in de twintigste eeuw vervolging als landbouwschadelijk dier. Eerdere Rode Lijst-beoordelingen rekenden deze soort tot S. graecus en deelden het geheel in als gevoelig; pas na de erkenning in 2013 en de beoordeling van 2024 werd duidelijk dat het waarschijnlijk om een verdwenen soort gaat. De soort is daarmee een voorbeeld van een Europees zoogdier dat mogelijk is uitgestorven voordat het als soort werd erkend.
Wetenschappelijke naam
Spalax istricus | Méhelÿ, 1909 (GBIF: Spalax graecus)
Méhelÿ beschreef de soort in 1909 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Spalax is het Griekse spalax, ook aspalax, 'mol'. istricus hoort bij Ister, de klassieke naam van de benedenloop van de Donau (Grieks Istros); Méhely beschreef het dier uit de Wallachijse vlakte langs die rivier. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Roemenië, Olt.




