Alle soorten › Roofdieren › Marterachtigen › Steppebunzing

Steppebunzing | Mustela eversmanii

Steppe Polecat | Turón de la Estepa

De steppebunzing is een bunzing van open steppe, grasland en halfwoestijn, van Zuidoost- en Midden-Europa door Centraal-Azië tot Mongolië, Noordoost-China en het Russische Verre Oosten. In het gidsgebied ligt de westgrens in Tsjechië en Oostenrijk. Hij lijkt sterk op de bunzing en werd door sommige auteurs als dezelfde soort beschouwd; over zijn ecologie is weinig bekend.

Steppebunzing (Mustela eversmanii)
Foto: Andrey Giljov — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

De steppebunzing rust in holen die hij van andere dieren overneemt en jaagt door de holen van zijn prooidieren te doorzoeken; een dier kan daardoor lang onder de grond blijven. Een steppebunzing kan in een nacht tot 18 km afleggen. In Tsjechië berusten de meeste recente meldingen op verkeersslachtoffers.

Herkenning

Een bunzing met een variabele, meestal lichte vacht: de romp is geelwit, geelbruin of grijs, en poten, borst en staart zijn donkerbruin. Het gezicht is licht met een donker masker rond de ogen, en de oren zijn licht; het masker is bij oudere dieren minder duidelijk en kan door zilverwit haar worden vervangen. De maten overlappen met die van de bunzing; mannetjes zijn groter dan vrouwtjes.

Gelijkende soorten

De bunzing is donkerder: de bovenvacht is donkerbruin tot zwart en alleen de ondervacht is licht, terwijl de steppebunzing een lichte romp heeft die sterk afsteekt tegen de donkere poten en borst. Jonge of donkere steppebunzingen en lichte bunzingen zijn niet altijd uit elkaar te houden, en de twee soorten komen in een deel van Midden- en Oost-Europa samen voor. Fretten en kruisingen van fret en bunzing zijn op het eerste gezicht vergelijkbaar licht. Een zekere determinatie vraagt een goede foto of een dier in de hand.

Leefgebied

Open steppe, grasland en halfwoestijn met weinig bomen, en daarnaast weiden, akkers, braakliggende velden, ravijnen en verlaten groeves. Bos wordt gemeden.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Zuidoost- en Midden-Europa, de Kaukasus en het Midden-Oosten, en verder door Centraal-Azië tot Noordoost-China, Mongolië en het Russische Verre Oosten. In Tsjechië, aan de westgrens van het areaal, komt de soort alleen voor in de warmste laaglanden van Bohemen en Moravië. Binnen het gidsgebied zijn er recente waarnemingen uit Roemenië, Oostenrijk, Oekraïne en Hongarije, en enkele uit Polen en Duitsland.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Vooral 's nachts actief en solitair. De steppebunzing is voortdurend op zoek naar nieuw terrein en voedsel, en kan bij voedselschaarste of veel sneeuw lokaal wegtrekken. Het voedsel bestaat uit knaagdieren (woelmuizen, hamsters, marmotten), fluithazen, grondeekhoorns, vogels, eieren, reptielen en insecten. In Hongarije maakten kleine zoogdieren 54 tot 93% uit van het voedsel, met een maximum in de zomer; de belangrijkste prooien waren in alle seizoenen de veldmuis en de hamster, met in het voorjaar en de herfst ook de Europese grondeekhoorn. Vogels, vooral zangvogels, vormden in het voorjaar 38% en in de herfst 29% van het voedsel. De paartijd valt in februari en maart; na een draagtijd van 38 tot 41 dagen worden in april of mei meestal 8 tot 10 jongen geboren. De ogen gaan na een maand open, na anderhalve maand jagen de jongen met de moeder mee, na drie maanden gaan ze hun eigen weg, en ze zijn op negen maanden geslachtsrijp.

Waar en wanneer kijken

In het gidsgebied is de kans op een waarneming het grootst in de Pannonische laagvlakte en in de steppen van Roemenië en Oekraïne, waar hamsters en grondeekhoorns voorkomen. Zoek 's nachts langs graslanden en akkerranden. Een verkeersslachtoffer met lichte romp en donkere poten is het melden waard, met foto en vindplaats.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2016) op wereldschaal; de oostelijke ondersoort M. e. amurensis gold in 2009 als kwetsbaar. In het westen van het areaal wordt de soort sterk getroffen door vervolging. In Tsjechië was zij in de eerste helft van de twintigste eeuw algemeen en geldt zij nu als ernstig bedreigd, met één of twee meldingen per jaar. Over de natuurlijke historie, de ecologie en de beschermingsstatus is weinig bekend.

Wetenschappelijke naam

Mustela eversmanii | Lesson, 1827

Lesson beschreef de soort in 1827 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Mustela is het Latijnse woord voor 'wezel'. De verdere herkomst is onzeker: meestal wordt het gelezen als een verkleinvorm bij mus 'muis', naar het formaat van het dier of naar zijn jacht op muizen. eversmanii eert de Duits-Russische natuuronderzoeker Eduard Friedrich Eversmann (1794–1860), die de dieren van de steppen om Orenburg in kaart bracht. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Rusland.