Alle soorten › Roofdieren › Marterachtigen › Hermelijn
Hermelijn | Mustela erminea
Stoat | Armiño
De hermelijn is een kleine marterachtige van het noordelijk halfrond, in Europa van Ierland en Noord-Spanje tot Fennoscandinavië. In een groot deel van het areaal wordt de vacht in de winter wit, op de zwarte staartpunt na. De soort is gespecialiseerd op woelmuizen en andere kleine knaagdieren, en haar aantallen volgen die van de prooi.
Sporen
De prent is 11 tot 20 mm breed en 30 tot 60 mm lang, met vijf tenen. In sneeuw verdwijnt het spoor op plaatsen en verschijnt het verderop weer, omdat de hermelijn zowel over de sneeuw loopt als er tunnels in graaft. De keutel is 4 tot 8 cm lang en 3 tot 6 mm dik, gevlochten en met een puntig uiteinde. Bij de ingang van een rustplaats liggen prooiresten, zoals afgebeten veren en muizenstaarten. Het nest zelf wordt bekleed met droog plantenmateriaal of met haar en veren van prooien.
In wintervacht
Herkenning
Een slanke, langgerekte marterachtige met korte poten. In de zomer is de bovenzijde roodbruin tot chocoladebruin en de onderzijde wit tot geelwit; de grens tussen beide loopt strak en recht langs de flank. De staart is dicht behaard en heeft een zwarte, pluimvormige punt, ook in de winter. Behalve in zuidelijke delen van het areaal verharen hermelijnen in april–mei en oktober–november; in de winter wordt de vacht geheel of gedeeltelijk wit. Dat gebeurt niet overal en niet bij alle dieren. Mannetjes zijn veel groter dan vrouwtjes; in metingen uit Nederland wogen mannetjes 150 tot 445 g en vrouwtjes 140 tot 260 g.
Gelijkende soorten
De wezel is kleiner, heeft een veel kortere staart zonder zwarte punt, een kronkelige grens tussen bruine rug en witte buik en vaak donkere vlekjes op de keel. Ook een wezel in wit wintertenue mist de zwarte staartpunt. Een grote wezel en een kleine hermelijn liggen in maat dicht bij elkaar; de staart beslist. Bunzing en nertsen zijn groter en donker, zonder witte onderzijde.
Leefgebied
Een breed scala aan leefgebieden: toendra, alpenweiden, bos, moeras, oevers, akkerland en houtwallen, van zeeniveau tot 3000 m. Voorwaarde is dekking door begroeiing of stenen. In laaglandgebieden, zoals in Nederland, leeft de soort vooral in structuurrijke, vochtige terreinen: veengebieden, uiterwaarden, rietland en vochtige bossen. In een subarctisch gebied in Finland leefden volwassen vrouwtjes waar de Microtus-woelmuizen het talrijkst waren; dominante mannetjes zaten in minder productief terrein dan de vrouwtjes.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Het noordelijk halfrond. In Europa van Ierland en Groot-Brittannië over het vasteland van Noord- en Midden-Europa tot Fennoscandinavië en verder naar Centraal-Azië; in het zuiden tot in de Pyreneeën, Noord-Spanje, de Alpen en de Karpaten. In de laaglanden van West-Europa is de soort wijdverbreid; in Nederland komt ze in het hele land voor, maar van de Waddeneilanden alleen op Texel. De soort is ingevoerd in Nieuw-Zeeland, waar zij wordt bestreden.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Vooral 's nachts, maar op elk uur van de dag actief; perioden van activiteit en rust wisselen elkaar om de drie tot vijf uur af. Door de lange, slanke bouw en een hoge stofwisseling verliest de hermelijn snel warmte en moet hij voortdurend jagen. Hij klimt en zwemt goed. De prooi bestaat vooral uit woelmuizen en andere knaagdieren, op het Iberisch Schiereiland vooral uit woelratten. Hermelijnen leven solitair in territoria van meestal 10 tot 40 ha, soms tot 200 ha, die worden afgegaan en met geur gemarkeerd; per dag wordt meestal rond 1 km afgelegd, soms tot 15 km. De paring valt in het late voorjaar of de vroege zomer; de innesteling van het bevruchte eitje wordt 9 tot 10 maanden uitgesteld, waarna de ontwikkeling iets meer dan een maand duurt. De jongen, meestal 4 tot 8, worden in april of mei geboren. Jonge vrouwtjes kunnen al op twee tot drie maanden paren, soms nog in hun eerste zomer; mannetjes zijn na een jaar volwassen.
Waar en wanneer kijken
Een hermelijn is het best te zoeken in vochtig, structuurrijk terrein met dekking: rietkragen, houtwallen, dijken en steenhopen. In de winter, met sneeuw, zijn witte dieren en de sporen het beste te vinden. In jaren met veel woelmuizen is de kans op een waarneming het grootst.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2016). De soort wordt in het grootste deel van het areaal als algemeen beschouwd. In Noord-Amerika en Rusland wordt zij bejaagd om de pels; de witte wintervacht wordt van oudsher gebruikt als hermelijnbont. In Nieuw-Zeeland, waar zij werd ingevoerd om konijnen te bestrijden, geldt zij als plaag die inheemse vogels heeft gedecimeerd. Op het Iberisch Schiereiland is de hermelijn afhankelijk van twee soorten woelrat die in aantal afnemen. In West-Europese laaglanden, zoals Nederland, zijn verkeer, verlies van structuurrijk landschap en afnemende knaagdierbestanden de belangrijkste knelpunten.
Wetenschappelijke naam
Mustela erminea | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Mustela is het Latijnse woord voor 'wezel'. De verdere herkomst is onzeker: meestal wordt het gelezen als een verkleinvorm bij mus 'muis', naar het formaat van het dier of naar zijn jacht op muizen. erminea is de gelatiniseerde vorm van het woord hermelijn, waarvan de herkomst omstreden is: men leidt het af van het Latijnse mus Armenius 'Armeense muis' of van een Germaans harmo 'wezel'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.






