Alle soorten › Roofdieren › Marterachtigen › Das

Das | Meles meles

Eurasian badger | Tejón

De das graaft zijn eigen burcht en komt pas boven de grond als het donker is. De soort laat veel sporen achter: een burcht die generaties lang in gebruik blijft, wissels die dwars door heggen lopen, mestputjes op de grens van het territorium, en een prent met vijf tenen en ongeveer drie centimeter lange nagels ervoor. Veldwerk aan deze soort bestaat daarom vooral uit het zoeken en interpreteren van sporen, en minder uit waarnemingen van het dier zelf.

Das (Meles meles)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

De sporen van de das zijn talrijk en blijven lang zichtbaar. Centraal staat de burcht: een stelsel van drie tot tien ingangen, in oude burchten tientallen, met gangen die in totaal honderden meters lang kunnen zijn. De ingang is breder dan hoog, ongeveer 25 tot 30 cm, met een afgeplatte onderkant; een vossenhol is juist hoger dan breed. Voor elke bewoonde ingang ligt een waaier van uitgegraven aarde, met daarin vaak oud nestmateriaal dat naar buiten is geschoven: verbleekte bladeren, gras, varens en stro, soms in slierten die het dier achterwaarts naar buiten heeft gesleept. Op warme dagen ligt vers nestmateriaal buiten te drogen. Bomen bij de burcht hebben krabsporen op dassenhoogte, en de grond is kaalgetrapt tot een speelplek. De wissels zijn eveneens kenmerkend: rechte, tien tot vijftien centimeter brede paadjes die dwars door perceelsgrenzen lopen, door heggen heen, onder hekken door en onder de onderste prikkeldraad door. Aan dat draad blijven haren hangen; dassenhaar is te herkennen aan drie kenmerken: zeven tot acht centimeter lang, stug, ovaal in doorsnede, zodat het tussen duim en wijsvinger niet rolt maar kantelt, en driekleurig: wit aan de basis, een zwarte band en een witte punt. Langs de rand van het territorium liggen de latrines: open, ondiepe kuiltjes van tien tot vijftien centimeter, uitgegraven en niet dichtgemaakt, meestal enkele bij elkaar. De keutel zelf is weinig kenmerkend (van zwart en vlezig tot een deegachtige bruine massa met resten van regenwormen, dekschilden van kevers of kersenpitten), maar het kuiltje eronder is diagnostisch: een vos legt zijn keutel juist hoog en open op een steen of molshoop, nooit in een gegraven kuiltje. In kort grasland zijn snuitputjes te vinden: honderden trechtertjes van twee tot vijf centimeter, met de neus gemaakt bij het zoeken naar emelten en engerlingen. De prent is kenmerkend: vijf tenen in een vlakke boog vóór een breed, aaneengesloten zoolkussen, de voorvoet ongeveer 5 tot 6,5 cm breed en breder dan lang, met daarvoor, los van de tenen, de indrukken van de lange nagels. De achtervoet is smaller en langer en staat vaak half over de voorprent. Vier tenen wijzen op hond, kat of marterachtige; vijf tenen in een boog met nagels op afstand wijzen op een das. Verder: uitgegraven wespennesten in taluds, omgetrokken maïsplanten in augustus en september langs de rand van de akker, en op windstille najaarsavonden de zware, muskusachtige geur van een bewoonde burcht.

Das, ingang van een burcht tussen de wilde hyacinten: een brede, afgeplatte boog, hoger dan hij diep is, met een uitgesleten gleuf ervoor
Ingang van een burcht tussen de wilde hyacinten: een brede, afgeplatte boog, hoger dan hij diep is, met een uitgesleten gleuf ervoor · Foto: Hildesvini — CC0 · Wikimedia Commons
Das, prent in opgedroogde modder: vijf tenen in een vlakke boog boven een brede, dwarse zool, met de lange nagels ver vooruit
Prent in opgedroogde modder: vijf tenen in een vlakke boog boven een brede, dwarse zool, met de lange nagels ver vooruit · Foto: Philip Halling — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons
Das, latrine: ondiepe kuiltjes die de das zelf uitgraaft en open laat, hier op de rand van het territorium
Latrine: ondiepe kuiltjes die de das zelf uitgraaft en open laat, hier op de rand van het territorium · Foto: Nigel Mykura — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

In zijn leefgebied

Das, op een bosweg tussen de brandnetels, upton, oxfordshire
Op een bosweg tussen de brandnetels, Upton, Oxfordshire · Foto: Steve Daniels — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

De kop van dichtbij

Das, kop van dichtbij: de twee zwarte banen lopen van de snuit over het oog naar het witomrande oor
Kop van dichtbij: de twee zwarte banen lopen van de snuit over het oog naar het witomrande oor · Foto: Charlie From Bristol — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Het jong

Das, jong dier overdag in een wegberm, kent; de koptekening is al die van de volwassene, de vacht nog zachter en grijzer
Jong dier overdag in een wegberm, Kent; de koptekening is al die van de volwassene, de vacht nog zachter en grijzer · Foto: Oast House Archive — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een laag, breed, wigvormig dier: zwaar naar achteren, smal naar voren, met korte poten en een korte, lichte staart. Rug en flanken zijn grijs door haren die zwart-wit-zwart geringd zijn; buik en poten zijn zwart. De kop is wit met twee zwarte strepen die van de snuit over het oog naar de kleine, wit omrande oren lopen; die tekening is op elke afstand herkenbaar, ook in het licht van een zaklamp of op een cameravalbeeld. De ogen zijn klein, de snuit is beweeglijk, de nek zwaar. De voorpoten hebben lange, licht gebogen graafnagels tot ongeveer drie centimeter. De das loopt sjokkend met de kop laag en de rug licht gebogen, draaft schokkerig, en is in het najaar breed en vet en in het voorjaar smal en hoekig. Jonge dassen hebben aanvankelijk een vagere, grijzige koptekening.

Gelijkende soorten

Bij goed zicht is verwarring uitgesloten: geen ander Europees zoogdier heeft een zwart-wit gestreepte kop. In het donker, in een lichtbundel of op een cameravalbeeld zijn er drie verwarringssoorten. De wasbeer heeft een zwart oogmasker in plaats van kopstrepen, staat hoger op de poten, houdt de zwart geringde staart omhoog en klimt; de das klimt niet. De marterhond is even laag en gedrongen, maar heeft een donker masker rond het oog, een bruine, ruige vacht en zwarte poten. Een jong wild zwijn heeft een vergelijkbaar zwaar silhouet, maar geen witte kop en een andere gang. Op afstand in een weiland wordt een das soms aangezien voor een verwilderde huiskat; de sjokkende gang en de brede achterhand zijn dan beslissend. De Aziatische das (Meles leucurus) komt alleen ten oosten van het Europese areaal van de das voor.

Leefgebied

Het typische leefgebied is een mozaïek van kleine loofbossen en bosjes, houtwallen, heggen en holle wegen, afgewisseld met grasland en akkers waarop het dier foerageert. Nodig is een goed graafbare, goed doorlatende bodem (zand, löss, kalk of leem) in een helling of talud, met een grondwaterstand die minstens anderhalve meter onder de burcht blijft, en zo weinig mogelijk verstoring. Daardoor komt de das vooral voor op hogere, lichte gronden en in heuvelland, en ontbreekt hij vrijwel op natte klei. Verder bosranden, spoortaluds, oude houtwallen, oeverbossen, boomgaarden en olijfgaarden, en in Zuid-Europa ook dehesa's van steen- en kurkeik en maquis. De soort komt tot in dorpsranden en tuinen, maar de burcht ligt dan onder een schuur, een talud of in een bosje.

Verspreiding

Van Ierland tot de Wolga en van Zuid-Scandinavië tot de Middellandse Zee; in het zuiden dunner bezet, en in het noorden met een grens die samenhangt met de duur van de vorst. Op de Britse Eilanden zijn de dichtheden hoog: de das is algemeen in Engeland en Wales, het talrijkst in het zuidwesten, wijdverbreid in het Schotse laagland en aanwezig in heel Ierland; hij ontbreekt op het eiland Man en de meeste kleinere eilanden. Op het Iberisch Schiereiland is hij algemeen en wijdverbreid, behalve in de droogste delen van het zuidoosten, en ontbreekt hij op de Balearen en de Canarische Eilanden; hij is talrijk in het Cantabrisch Gebergte, het Iberisch Randgebergte, de Pyreneeën en hun voorland, komt ook voor in dehesa's, oeverbossen, olijfgaarden en mediterraan struweel tot ver in het zuiden, en in de bergen tot bijna 2000 meter. Hij wordt in veel streken weinig opgemerkt; burchten in taluds van beken en akkerranden zijn daar het beste bewijs van aanwezigheid. In Portugal is de situatie vergelijkbaar. In Frankrijk, Duitsland en Polen is het een algemene soort van landbouwgebied en bosranden. In Nederland was de das door vervolging, ruilverkaveling en vooral wegverkeer in de jaren zeventig en tachtig teruggebracht tot enkele duizenden dieren in een beperkt aantal kerngebieden. Door wettelijke bescherming, dassentunnels met geleidende rasters, herstel van houtwallen en enkele herplaatsingen is hij sindsdien hersteld; hij komt nu weer voor op de Veluwe, in de Achterhoek, Twente, oostelijk Noord-Brabant en Zuid-Limburg en breidt zich westwaarts uit. In het lage, natte westen ontbreekt hij vrijwel geheel. In Wallonië is hij algemeen en wijdverbreid; in Vlaanderen is hij schaars en grotendeels beperkt tot Voeren, Haspengouw en Limburg, met een langzame uitbreiding.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Nachtactief; in de zomer meestal pas boven de grond als het donker is, in rustige gebieden in mei en juni al voor zonsondergang. De das leeft in een clan van twee tot ongeveer tien dieren die dezelfde burcht en hetzelfde territorium delen, met een gezamenlijk stelsel van latrines op de grens. De regenworm is het hoofdvoedsel: op zachte, vochtige nachten zoekt de das kort grasland af en kan hij er honderden per nacht eten. Daarnaast emelten en engerlingen, kevers, slakken, kikkers, jonge konijnen, eieren, aas, wespenbroed, en in de nazomer graan, maïs, vlierbessen, bramen en gevallen appels, in Zuid-Europa ook vijgen en druiven; daarmee wordt de vetreserve voor de winter opgebouwd. De voortplanting kent uitgestelde innesteling: paring vindt een groot deel van het jaar plaats, maar de bevruchte eicel blijft maanden in rust en nestelt zich pas in december in. In januari of februari worden twee of drie blinde jongen geboren, die in april of mei voor het eerst boven de grond komen en de zomer bij de burcht doorbrengen. De das houdt geen winterslaap: bij vorst en sneeuw blijft hij dagen tot weken in de burcht, leeft van zijn vetreserve en verliest daarbij gewicht, maar zijn lichaamstemperatuur daalt niet, en bij zacht weer is hij ook midden in de winter buiten actief. Dassen kunnen in het wild tien tot vijftien jaar oud worden; de meeste sterven veel eerder, vooral in het verkeer.

Waar en wanneer kijken

Begin overdag bij de burcht: verse aarde, naar buiten geschoven nestmateriaal, ingelopen wissels en verse mestputjes wijzen op bewoning. Een zachte, windstille avond in mei of juni is daarna de beste tijd, vanaf anderhalf uur voor zonsondergang, op vijftien tot twintig meter afstand en benedenwinds van de burcht, zonder te bewegen; de das ziet slecht, maar ruikt en hoort goed. Wit licht verjaagt het dier. Het verstoren van een dassenburcht is in veel landen verboden, waaronder Groot-Brittannië, Ierland en de Lage Landen. Een cameraval op een wissel verstoort niet en levert vaak binnen een week beelden op. Na een regenachtige nacht is kort gemaaid of begraasd grasland de beste plek om te zoeken naar snuitputjes, prenten in de modder van een greppelkant en haren aan de onderste prikkeldraad.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2016) en in het grootste deel van Europa stabiel of toenemend. Op de Britse Eilanden is de das talrijk en in Groot-Brittannië sinds 1992 wettelijk beschermd (Protection of Badgers Act); tegelijk staat hij er al decennia centraal in een politiek beladen debat over afschot vanwege zijn rol in de overdracht van rundertuberculose; Ierland voert om dezelfde reden een eigen afschotprogramma. In Nederland en Vlaanderen was de das in de twintigste eeuw door vervolging, vergassing van burchten en het verdwijnen van houtwallen schaars geworden; hij is er streng beschermd, inclusief de burcht, en herstelt langzaam, met het verkeer als belangrijkste doodsoorzaak, reden voor de aanleg van honderden dassentunnels en rasters. In Spanje is de das in sommige regio's bejaagbaar en in andere beschermd; de belangrijkste problemen zijn verkeersslachtoffers, vernietiging van burchten bij land- en bosbouwwerkzaamheden, strikken en gif die op andere soorten zijn gericht, en directe vervolging waar hij schade aan wijngaarden en maïsvelden zou veroorzaken. Elders in Europa is hij een bejaagbare soort of een gedoogde soort in het cultuurlandschap. Het voortbestaan van de soort is nergens in het geding; de aandachtspunten zijn verkeer, versnippering van het landschap en het verdwijnen van kleinschalig cultuurland.

Wetenschappelijke naam

Meles meles | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Ursus Meles; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Meles is het Latijnse woord voor 'das'; bij de Romeinen kon het ook op de marter slaan. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.